Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/299051/KG ZA 15-278)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen, broer en zus, zijn in geschil over de bestemming van de as van hun overleden moeder. De moeder is gecremeerd, maar had de wens om naast haar man begraven te worden, wat ook blijkt uit het reserveren van een graf voor twee personen. De zus, als degene die het crematorium opdracht gaf tot crematie, wil de urn met alle asresten bijzetten in het graf van de vader.
De broer weigert medewerking en wenst een deel van de as te behouden in een aparte urn, stellende dat de uitdrukkelijke wens van de moeder niet vaststaat en dat de vermoedelijke wens zou zijn dat hij een deel van de as mag bewaren. De voorzieningenrechter wees de vordering van de zus af en gaf de broer gedeeltelijk gelijk.
Het hof oordeelt dat de uitdrukkelijke wens van de moeder om naast haar man begraven te worden vaststaat en dat deze wens ook geldt voor de as na crematie. De vermoedelijke wens van de moeder speelt geen rol meer. Het hof veroordeelt de broer om de aan hem gegeven as aan het crematorium te overhandigen en staat de zus toe haar voornemen uit te voeren, tenzij binnen drie maanden een bodemprocedure wordt gestart. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat de wens van de moeder prevaleert en veroordeelt de broer om de as aan het crematorium af te geven zodat de zus de urn kan bijzetten in het graf van de vader.