Belanghebbende was geïdentificeerd als rekeninghouder van buitenlandse bankrekeningen en aandelen, waarop de Inspecteur navorderingsaanslagen, boeten en heffingsrente oplegde. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen en boeten en verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de lange behandelduur van het bezwaar.
De Rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Zowel belanghebbende als de Inspecteur stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens het hoger beroep bleek dat de Inspecteur geen uitspraken had gedaan op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen, waardoor het beroep op die aanslagen niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
Het Hof oordeelde dat de boetebeschikkingen waren verminderd tot nihil, waarbij ten minste 20% van de boetevermindering toe te schrijven was aan de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien jurisprudentie is een vergoeding van immateriële schade naast boetematiging niet aan de orde. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het beroep op navorderingsaanslagen niet-ontvankelijk en het beroep op boeten ongegrond, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.