Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 13 februari 2015;
- de brief van de beschermingsbewindvoerder d.d. 24 februari 2015.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een aanzienlijke schuldenlast, waaronder preferente schulden en restschulden voortvloeiend uit de verkoop van zijn woning. De rechtbank wees het verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden en vanwege zijn psychosociale problematiek die hem belemmerde om aan de verplichtingen te voldoen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn schulden hoofdzakelijk voortkwamen uit vaste lasten en dat hij goede bedoelingen had gehad. Hij stelde dat zijn psychosociale problemen beheersbaar waren en dat hij zich maatschappelijk staande hield. Het hof stelde vast dat appellant een hennepplantage had geëxploiteerd, wat leidde tot schulden die per definitie niet te goeder trouw waren ontstaan. Ook was er sprake van een ontnemingsvordering en een belastingschuld die onvoldoende was onderbouwd.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was en dat zijn psychosociale problemen niet beheersbaar waren. Daarnaast kon het beroep op de hardheidsclausule niet slagen. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw en niet beheersbare psychosociale problematiek.