Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2015:937

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
17 maart 2015
Zaaknummer
HD200.150.287_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:107 BWArt. 6:108 BWArt. 7:658 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid werkgever voor kanker door blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens dienstverband

De zaak betreft een hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad waarbij de dochter en erfgenaam van een overleden schilder schadevergoeding vorderen van diens voormalige werkgever. De vader van appellante was jarenlang schilder bij de geintimeerde en raakte arbeidsongeschikt door kanker, vermoedelijk veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen zoals epoxyverven en houtrotmiddelen.

De rechtbank wees de vorderingen eerst af, maar het hof Arnhem stelde de vorderingen alsnog toe en oordeelde dat de werkgever aansprakelijk is wegens tekortschieten in de zorgplicht. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

In het vervolgproces wijzigde appellante haar eis en vroeg het hof om vernietiging van eerdere vonnissen en toewijzing van de schadevergoeding met proceskostenveroordeling. Het hof besloot een comparitie te gelasten om onder meer te bespreken of een deskundige benoemd moet worden voor een actueel deskundigenbericht over de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, zorgplicht en proportionele aansprakelijkheid.

De zaak is aangehouden tot na de comparitie, waarbij partijen worden opgeroepen met bevoegdheid tot minnelijke regeling. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren en de zaak wordt op een nader te bepalen datum voortgezet.

Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor comparitie en nader deskundigenonderzoek, en wijst verdere beslissing af tot na deze stappen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.150.287/01
arrest van 17 maart 2015
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. L.E.M. Charlier te Amsterdam,
tegen
[de geintimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [de geintimeerde] ,
advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

1.Het geding

Voor het verloop van het geding in de eerdere feitelijke instanties verwijst het hof naar hetgeen de Hoge Raad dienaangaande in zijn in deze zaak gewezen arrest van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721) heeft overwogen.
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof te Arnhem van 27 maart 2012 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.
Bij exploot van 2 januari 2014 heeft [appellante] [de geintimeerde] opgeroepen voor dit hof te verschijnen teneinde voort te procederen in het hoger beroep.
Vervolgens heeft [appellante] een memorie na verwijzing, tevens wijziging van eis, met een productie, genomen, en [de geintimeerde] een antwoordmemorie na verwijzing met vijf producties.
Partijen hebben schriftelijk gepleit. [appellante] heeft een pleitnota met zeven producties ingediend, en [de geintimeerde] een pleitnota met een productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2.Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing in cassatie

2.1.
Mede gelet op hetgeen is overwogen onder rov. 3.1 in het arrest van de Hoge Raad staan de navolgende feiten tussen partijen vast.
(i) [de vader van appellante] , geboren op [geboortedatum] 1943, is in 1976 in dienst getreden bij [de geintimeerde] als (onderhouds)schilder. Voordien heeft hij gewerkt als vrachtwagenchauffeur en (vanaf 1968) als schilder bij twee andere bedrijven. Met ingang van 25 april 2000 is hij arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werk bij [de geintimeerde] .
(ii) Bij [de vader van appellante] is begin 2000 een kwaadaardige tumor ontdekt in het nierbekken (urotheelcelcarcinonoom). Ongeveer gelijktijdig werd een verdachte afwijking op de linker long gezien. Er werd een kwaadaardige tumor in de longen aangetroffen (plaveiselcelcarcinoom). [de vader van appellante] heeft voor beide tumoren operatieve ingrepen ondergaan op respectievelijk 27 april en 29 mei 2000. In september 2000 zijn uitzaaiingen ontdekt in de blaas en in de longen. [de vader van appellante] is op 18 februari 2001 aan zijn ziekte overleden. Door de behandelend artsen is destijds niet vastgesteld of sprake is geweest van urotheel-/blaaskanker met uitzaaiingen, van longkanker met uitzaaiingen of van twee primaire tumoren.
(iii) [de vader van appellante] heeft [de geintimeerde] op 17 oktober 2000 aansprakelijk gesteld voor de door hem ten gevolge van zijn ziekte geleden en nog te lijden schade. (De verzekeraar van) [de geintimeerde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.2.
[appellante] en haar (inmiddels overleden) moeder [de overleden moeder van appellante] - dochter respectievelijk weduwe van [de vader van appellante] - hebben in dit geding gevorderd vergoeding van schade als bedoeld in art. 6:108 BW Pro en, in hun hoedanigheid van erfgenamen, van schade als bedoeld in art. 6:107 BW Pro. Na het overlijden van [de overleden moeder van appellante] is de procedure door [appellante] voortgezet. [appellante] betoogt dat [de vader van appellante] gedurende zijn dienstverband bij [de geintimeerde] heeft gewerkt met epoxyverven, polyurethaanverven, houtrotmiddelen en betonreparatiemiddelen, welke producten aromatische amines bevatten die in verband zijn gebracht met urotheelkanker. Bovendien is [de vader van appellante] bij het afschuren van oude (al dan niet loodhoudende) verflagen en het gebruik van (dichloormetaanhoudend) verfafbijtmiddel geconfronteerd met situaties die een verhoogde kans op longkanker met zich brengen. Volgens [appellante] heeft [de geintimeerde] nagelaten te voorkomen dat [de vader van appellante] met genoemde producten werkte en heeft zij verzuimd te zorgen voor adequate bescherming van [de vader van appellante] op grond waarvan zij aansprakelijk is op de voet van art. 7:658 BW Pro.
2.3.
In eerste aanleg waren de vorderingen afgewezen. Het gerechtshof te Arnhem had deze alsnog toegewezen, in die zin dat het
- voor recht had verklaard dat [de geintimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellante] pro se en als erfgenaam van [de vader van appellante] en [de overleden moeder van appellante] geleden en nog te lijden schade,
- [de geintimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, had veroordeeld tot betaling aan [appellante] van deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en
- [de geintimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten had veroordeeld.
Het hof had daartoe in het vernietigde arrest overwogen, kort gezegd, dat er sprake is van oorzakelijk verband tussen de urotheelkanker bij [de vader van appellante] en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen, en ook vaststaat dat [de geintimeerde] ten aanzien van die blootstelling in haar zorgplicht jegens [de vader van appellante] is tekortgeschoten, zodat [de geintimeerde] jegens [de vader van appellante] en diens erven aansprakelijk is.
2.4.
Na verwijzing in cassatie heeft [appellante] bij haar memorie haar eis in dier voege gewijzigd dat zij heeft geconcludeerd dat dit hof de vonnissen waarvan beroep - de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 augustus 2008, 21 januari 2009 en 7 juli 2010, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [de geintimeerde] als gedaagde - voor zoveel nodig zal vernietigen en opnieuw rechtdoende
met gewijzigde motiveringde gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure zal toewijzen, met veroordeling van [de geintimeerde] in de proceskosten.
2.5.
Alvorens over te gaan tot een verdere beoordeling, heeft het hof er behoefte aan de zaak met partijen te bespreken, reden waarom een comparitie van partijen zal worden gelast. Daarbij zal in ieder geval de vraag aan de orde komen of het, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad, opportuun is om nog een deskundige te benoemen om een actueel deskundigenbericht uit te brengen in verband met de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, de zorgplicht van [de geintimeerde] en/of de kwestie van de proportionele aansprakelijkheid.
2.6.
Indien het verloop van de comparitie daartoe aanleiding geeft, zal de comparitie mede kunnen worden benut voor het beproeven van een schikking tussen partijen. Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden te pleiten. Hieronder wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak al dan niet aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.
2.7.
Het hof houdt in afwachting van de comparitie van partijen iedere verdere beslissing aan.

3.De uitspraak

Het hof:
bepaalt dat partijen – deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – zullen verschijnen voor mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en I. Giesen, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door het hof te bepalen datum, met de hiervoor in rov. 2.5 en 2.6 vermelde doeleinden;
verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2015 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van april, mei, juni en juli 2015;
bepaalt dat de advocaat van [appellante] bij de opgave van de verhinderdata op genoemde roldatum in viervoud een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;
bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en I. Giesen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 maart 2015.
griffier rolraadsheer