De zaak betreft een hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad waarbij de dochter en erfgenaam van een overleden schilder schadevergoeding vorderen van diens voormalige werkgever. De vader van appellante was jarenlang schilder bij de geintimeerde en raakte arbeidsongeschikt door kanker, vermoedelijk veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen zoals epoxyverven en houtrotmiddelen.
De rechtbank wees de vorderingen eerst af, maar het hof Arnhem stelde de vorderingen alsnog toe en oordeelde dat de werkgever aansprakelijk is wegens tekortschieten in de zorgplicht. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
In het vervolgproces wijzigde appellante haar eis en vroeg het hof om vernietiging van eerdere vonnissen en toewijzing van de schadevergoeding met proceskostenveroordeling. Het hof besloot een comparitie te gelasten om onder meer te bespreken of een deskundige benoemd moet worden voor een actueel deskundigenbericht over de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, zorgplicht en proportionele aansprakelijkheid.
De zaak is aangehouden tot na de comparitie, waarbij partijen worden opgeroepen met bevoegdheid tot minnelijke regeling. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren en de zaak wordt op een nader te bepalen datum voortgezet.