ECLI:NL:GHSHE:2016:1078

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 maart 2016
Publicatiedatum
22 maart 2016
Zaaknummer
200.169.782_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijslastverdeling bij beroep op opschortende voorwaarde in civiele procedure

In deze civiele zaak tussen Dress Your Dreams B.V. (DYD) en Bostonian Business B.V. (BB) gaat het hoger beroep over de bewijslastverdeling bij een beroep op een opschortende voorwaarde. Het hof stelt vast dat DYD niet het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg heeft overgelegd, maar slechts een kopie van de inleidende dagvaarding en twee vonnissen.

Het hof benadrukt dat voor een juiste beoordeling het volledige dossier noodzakelijk is, inclusief alle processtukken, producties en waar nodig kleurenkopieën. Daarom verwijst het hof de zaak naar de rol om DYD in de gelegenheid te stellen het volledige dossier deugdelijk gebundeld en voorzien van een inventarislijst en overzicht van producties te overleggen.

BB wordt geen antwoordakte opgelegd en het hof houdt elke verdere beslissing aan totdat het volledige dossier is ingediend. Het arrest is gewezen door de raadsheren Keizer, Milar en Rousseau en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016.

Uitkomst: De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol om het volledige procesdossier aan te leveren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.169.782/01
arrest van 22 maart 2016
in de zaak van
Dress Your Dreams B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als DYD,
advocaat: mr. W.J. Liebrand te Oss,
tegen
Bostonian Business B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als BB,
advocaat: mr. J.J.M. Voss te Amstelveen,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 april 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 18 september 2014 en 22 januari 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen DYD als gedaagde en BB als eiseres.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3004054/420, rolnr. 14-3851)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Om het hoger beroep te kunnen beoordelen, moet het hof beschikken over het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg. DYD heeft uitsluitend een kopie overlegd van de inleidende dagvaarding en van beide vonnissen. Uit de op blz. 2 van de memorie van grieven gegeven opsomming van de stukken van het geding in eerste aanleg en uit de inhoud van beide vonnissen blijkt dat het procesdossier van het geding in eerste aanleg uit meer stukken bestaat dan uitsluitend de inleidende dagvaarding en de twee vonnissen. DYD heeft ten onrechte geen kopie van het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg overgelegd.
3.2.
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om DYD in de gelegenheid te stellen een volledige kopie over te leggen van het procesdossier van het geding in eerste aanleg, deugdelijk gebundeld en voorzien van tabs ter onderscheiding van de afzonderlijke processtukken, een inventarislijst, overzicht van producties en, voor zover van toepassing, kleurenkopieën van kleurenfoto’s, onder gelijktijdige verzending van afschrift van de inventarislijst en het overzicht van producties aan de wederpartij.
3.3.
Een antwoordakte van BB wordt niet verwacht. Het hof zal elk verder oordeel nu aanhouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 5 april 2016 teneinde DYD in de gelegenheid te stellen een volledige kopie over te leggen van het procesdossier van het geding in eerste aanleg, overeenkomstig hetgeen hiervoor in rov. 3.2 is overwogen (waarna geen antwoordakte);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.
griffier rolraadsheer