Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
en/of een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] heeft willen schieten”,aangezien dat deel van de tenlastelegging zonder nadere invulling van de uitvoeringshandeling die daaraan ten grondslag heeft gelegen, onvoldoende specifiek en tegenstrijdig is. Het enkele willen schieten is niet strafbaar.
hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [voorletter] [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, in elk geval een vuurwapen, een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feiten en omstandighedenopgenomen bevindingen aannemelijk geworden dat verdachtes intentie was gericht op het aangaan van een confrontatie met de aangever. De gedragingen van de verdachte kunnen immers naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, op grond waarvan het hof van oordeel is dat het verdachte aan verdedigingswil heeft ontbroken. Derhalve kunnen in dit geval ook het beroep op noodweer(-exces) en op putatief noodweer(-exces) niet slagen.
BESLISSING
en/of een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] heeft willen schieten”.
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren.
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
teruggaveaan [voorletter] [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.