ECLI:NL:GHSHE:2016:1334

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2016
Publicatiedatum
8 april 2016
Zaaknummer
15/00460
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.80 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 3.87 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 11 Wet van 1829
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing reisaftrek voor woon-werkverkeer met eigen auto

Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting voor 2011 reisaftrek opgevoerd voor woon-werkverkeer over circa 38 kilometer, terwijl zij met haar auto reisde. De werkgever verklaarde dat belanghebbende 145 dagen met eigen vervoer naar het werk is gereisd. De inspecteur corrigeerde de aftrek, omdat de wet vereist dat de reisaftrek alleen geldt voor reizen per openbaar vervoer.

Belanghebbende voerde aan dat openbaar vervoer vanwege reistijden en aansluitingen niet mogelijk was en dat in vergelijkbare gevallen wel reisaftrek werd verleend. Het hof oordeelde dat de wet strikt voorschrijft dat de reis per openbaar vervoer moet zijn gemaakt en dat het niet mogelijk of aantrekkelijk zijn van openbaar vervoer geen grond is om hiervan af te wijken.

Het hof stelde vast dat er geen sprake is van ongelijke behandeling, omdat in de vergelijkbare gevallen wel met openbaar vervoer werd gereisd. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op reisaftrek omdat zij niet met openbaar vervoer heeft gereisd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 15/00460
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende], woonachtig te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 6 februari 2015, kenmerk AWB 14/1933, in het geding tussen,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 maart 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] .
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 31 maart 2016, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.

De gronden

1. Belanghebbende woont in [woonplaats] en was in het onderhavige jaar werkzaam in [plaats] . Zij heeft voor het reizen van haar woning naar haar werk, over een reisafstand van ongeveer 38 kilometer, niet met het openbaar vervoer, maar met de auto gereisd.
2. In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 heeft belanghebbende reisaftrek openbaar vervoer in aftrek gebracht, gespecificeerd als volgt:
Reisaftrek openbaar vervoer €1.186
Van de werkgever ontvangen vergoedingen
€ 290-/-
In aftrek gebrachte reisaftrek openbaar vervoer €896.
3. Op 6 november 2013 is aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd. Hierin is de door belanghebbende in aftrek gebrachte reisaftrek gecorrigeerd en is het belastbaar inkomen uit woning en werk vastgesteld op een bedrag van € 25.761.
4. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de reiskosten gemaakt met de auto.
5. Op grond van artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is belastbaar loon het loon verminderd met de reisaftrek. Artikel 3.87 van de Wet bepaalt, dat de reisaftrek in aanmerking wordt genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden.
6. Belanghebbende stelt, dat zij genoodzaakt is met eigen vervoer naar haar werk te gaan, omdat, gelet op de reisafstand tussen de woning en de plaats van werkzaamheden, de aansluiting van bus en trein en de aanvangstijden van haar werk, gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is. In de door belanghebbende overgelegde reisverklaring van haar werkgever heeft deze verklaard dat belanghebbende in het onderhavige jaar gedurende 145 dagen met eigen vervoer van en naar het werk is gereisd. Belanghebbende stelt dat binnen de Belastingdienst onduidelijkheid bestaat over de toepassing van de reisaftrek en dat in het ene soortgelijke geval wel, maar in haar geval geen reisaftrek wordt verleend. Belanghebbende is van mening dat de Rechtbank ten onrechte haar beroep inzake de reisaftrek ongegrond heeft verklaard.
7. De Inspecteur voert aan dat de voor de reisaftrek in de Wet gestelde voorwaarde dat per openbaar vervoer wordt gereisd, ook geldt in het geval reizen per openbaar vervoer niet aantrekkelijk of niet mogelijk is. Met betrekking tot de door belanghebbende genoemde soortgelijke gevallen betoogt de Inspecteur dat in die gevallen vaststaat dat met het openbaar vervoer was gereisd en daarmee zijn die gevallen niet vergelijkbaar met belanghebbende.
8. Het Hof overweegt als volgt. Nu belanghebbende voor de afgelegde reisafstand niet met het openbaar vervoer heeft gereisd, is er geen wettelijke basis voor de reisaftrek als bepaald in artikel 3.87 van de Wet. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat zij in aanmerking komt voor reisaftrek, omdat zij reiskosten voor woon-werkverkeer met eigen vervoer heeft gemaakt en het reizen naar haar werk met het openbaar vervoer geen optie is, kan het Hof haar in die stelling niet volgen.
Belanghebbende voldoet niet aan de in de Wet gestelde voorwaarde van het reizen per openbaar vervoer. Het Hof is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van Pro de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.
Evenmin is ten aanzien van belanghebbende sprake van een ongelijke behandeling door de Inspecteur van met haar vergelijkbare gevallen, nu in de door haar genoemde soortgelijke gevallen wel met het openbaar vervoer is gereisd.
De reiskosten van belanghebbende zijn derhalve niet aftrekbaar.
9. De conclusie is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Het griffierecht

10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn te gelasten dat de Inspecteur belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

De proceskosten

11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

12. Uit al het vorenoverwogene volgt dat beslist moet worden als hierboven vermeld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, J. Swinkels en H.A. Wiggers, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 8 april 2016.
op:
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.