Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 17 december 2013;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel;
6.De verdere beoordeling
- op voet van art. 3:300 BW Pro te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de notariële
subsidiair:
“Binnen ons bedrijf heeft ieder zo zijn eigen taken. Ik houd mij met het landbouwkundig deel van het bedrijf bezig. Mijn broer [appellant] doet meer papierwerk. (…) Ik was aanwezig bij het opmeten van de percelen op verzoek van mijn broer [broer 2 van appellant] . Hij zou eigenlijk aanwezig zijn, maar hij was verhinderd.”[broer 2 van appellant] heeft als getuige onder meer verklaard:
”In die tijd heb ik ook gesproken met dhr. [geïntimeerde] . Hij was geïnteresseerd in het perceel [perceelnummer] . Hij zei dat hij van dat weitje ( [perceelnummer] ) wat moois wilde maken. (…) Wij hebben toen gesproken over de verkoop van dat perceeltje en nog een paar perceeltjes ten noorden daarvan.”[appellant] heeft als getuige onder meer verklaard:
“ Nadien in juni 2010 is dhr. [geïntimeerde] nog bij mij langs geweest om te praten over de verkoop van de percelen. Ik heb toen ontwijkend geantwoord omdat eigenlijk mijn broer daarover het woord voerde en contactpersoon was.”
”Ik heb destijds afgeraden aan [geïntimeerde] om de eigendomsovergang te laten plaatsvinden voorafgaande aan de sanering omdat hij dan namelijk schuldig eigenaar zou worden. Dat zou betekenen dat hij aansprakelijk was voor de vervuiling.”
“Ik heb ook tekeningen gezien van [geïntimeerde] waarop aangegeven stond wat hij met dat weitje van plan was, inclusief de picknickbank, de zwaluwenwand en een vleermuizenhotel. Ik heb daar niets over gezegd want hij mocht zelf weten hoe hij dat ging inrichten gelet op de verkoop.”
“Een paar dagen later, dat was 17 november 2010 zijn we, [broer 1 van appellant] en ik, met twee mensen van het kadaster teruggekomen om de percelen precies uit te zetten en in te meten. Een week later is [broer 2 van appellant] bij mij thuis gekomen en heeft tegen mij gezegd dat perceel [perceelnummer] niet verkocht werd omdat hij dan geen uitrit meer zou hebben. Het is gebleven bij die mededeling. Ik heb daarop niet gereageerd (…) Omdat [broer 2 van appellant] inmiddels tegen mij gezegd had dat perceel [perceelnummer] niet verkocht werd ging ik ervan uit dat dat deel ook buiten de levering zou vallen.”