Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3642365 CV EXPL 14-12636)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen waren getrouwd en woonden samen in een woning, na scheiding bleef appellante de woning huren van geïntimeerde. Appellante had een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd, ondanks gedeeltelijke betalingen tijdens de procedure. Geïntimeerde zegde de huur op wegens wanbetaling en vorderde ontruiming en betaling van achterstallige huur.
Appellante voerde verweer met betrekking tot gebreken aan het gehuurde, waaronder rottende kozijnen en niet-functionerende verwarming, en stelde dat zij daarom de huur mocht opschorten. Het hof oordeelde dat de kozijnen van staal waren en geen rotting konden vertonen, en dat de verwarming in leegstaande slaapkamers al twintig jaar geleden was afgekoppeld met instemming van appellante, zodat geen sprake was van een gebrek dat het huurgenot schaadde.
Het hof verwierp het opschortingsverweer en stelde vast dat appellante ondanks haar stellingen en betalingen tijdens de procedure, meerdere huurachterstanden had laten ontstaan. Het belang van geïntimeerde bij beëindiging van de huurovereenkomst woog zwaarder dan het belang van appellante bij voortzetting. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde een nieuwe einddatum van de huurovereenkomst op 1 juni 2016, met ontruiming van het gehuurde binnen die termijn.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigt op 1 juni 2016 en appellante moet het gehuurde uiterlijk op die datum ontruimen.