Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2009 vanwege een hogere aftrek voor specifieke zorgkosten dan door de Inspecteur geaccepteerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitgaven daadwerkelijk op haar drukten en voldeden aan de wettelijke voorwaarden.
In hoger beroep heeft belanghebbende geen aanvullende onderbouwing of bewijsstukken aangeleverd om haar standpunt te versterken. De Inspecteur had reeds een hoger bedrag aan specifieke zorgkosten geaccepteerd dan waar belanghebbende bewijs voor had geleverd. Het hof oordeelde dat de aanslag eerder te laag dan te hoog was vastgesteld.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op een niet nader onderbouwde stelling dat een medewerker van de Belastingdienst de aangifte zou hebben ingevuld, werd verworpen. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen vergoeding van griffierecht aan belanghebbende toegekend en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 28 april 2016 door het hof te 's-Hertogenbosch gedaan.