Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante],wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 846522/410)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, met producties;
- de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende eisvermeerdering, met producties;
3.De beoordeling
primairvoor recht verklaart dat de huidige in gebruik zijnde perceelsgrenzen, zowel aan de voorzijde als de achterzijde, tussen de woningen aan de [straatnaam][huisnummer A] en [straatnaam][huisnummer B] , de juridisch juiste zijn en dat de hierdoor bij [geïntimeerden] in bezit zijnde litigieuze stroken grond aan de voor- en achterzijde van deze percelen, door verkrijgende verjaring of
subsidiairdoor extinctieve verjaring eigendom zijn of zijn geworden van [geïntimeerden] als de huidige eigenaren van de [straatnaam][huisnummer A] ;
uiterst subsidiairdoor bevrijdende verjaring toebehoren aan [geïntimeerden] als eigenaren van de [straatnaam][huisnummer A] ;
:
- voor recht verklaard dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten laste van het perceel van [appellanten] en ten behoeve van het perceel van [geïntimeerden] , welke erfdienstbaarheid inhoudt dat [appellanten] moet dulden dat [geïntimeerden] de zijgevel, de ramen en de dakgoot van zijn woning aan de voorzijde van zijn perceel onderhoudt vanaf de voorzijde van het perceel van [appellanten] ;
- voor recht verklaard dat de strook grond aan de achterzijde van de percelen van [appellanten] en [geïntimeerden] , welke strook wordt begrensd door:
- aan de voorkant (bezien vanaf de straatkant): het verlengde van de voorzijde van de garage van [appellanten] ,
- aan de achterkant: door de bielzen,
- aan de rechterkant (bezien vanaf de straatkant): door de zijmuur van de garage van [appellanten] ,
- aan de linkerkant (bezien vanaf de straatkant): door de (nog vast te stellen) kadastrale erfgrens tussen de percelen van [geïntimeerden] en [appellanten] ,
- bepaald dat de beide verklaringen voor recht op grond van artikel 3:17 lid 1 onder Pro e BW kunnen worden ingeschreven in de openbare registers;
- het meer of anders gevorderde afgewezen;
primair(verkrijgende verjaring) dan wel
subsidiair(bevrijdende verjaring) aangevoerde grond. Het hof gaat er verder van uit dat [geïntimeerden] in verband met de achtertuinen het
meer subsidiaireen het
uiterst subsidiairedeel van het in eerste aanleg gevorderde handhaaft, in die zin dat hij vordert dat voor recht wordt verklaard dat door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring ten behoeve van [geïntimeerden] c.s. een erfdienstbaarheid is ontstaan met betrekking tot de strook grond aan de achterzijde van de percelen. Voorts vordert [geïntimeerden] - kennelijk - dat ook ten aanzien van de strook grond aan de voorzijde
primairvoor recht wordt verklaard dat sprake is van verkrijging van de eigendom daarvan door verjaring (en meer in het bijzonder door bevrijdende verjaring; zie de vordering onder 3. in de mvg in incidenteel hoger beroep en de daarin genoemde termijn van 20 jaren) en
subsidiairdat voor recht wordt verklaard dat sprake is van verkrijging van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring (die ziet op de beukenhaag én op het onderhoud van de woning, dit laatste conform de verklaring voor recht in het beroepen vonnis; zie de vordering onder 4. in de mvg in incidenteel hoger beroep).
primairvoor recht verklaart dat de strook grond aan de achterzijde van de percelen van [appellanten] en [geïntimeerden] , welke strook wordt begrensd door:
- aan de voorkant (bezien vanaf de straatkant): door het verlengde van de voorzijde van de garage van [appellanten] ,
- aan de achterkant: door de bielzen,
- aan de rechterkant (bezien vanaf de straatkant): door de zijmuur van de garage van [appellanten] ,
- aan de linkerkant (bezien vanaf de straatkant): door de kadastrale erfgrens tussen de percelen van [geïntimeerden] en [appellanten] ,
subsidiairdoor extinctieve verjaring eigendom is geworden van [geïntimeerden] ;
uiterst subsidiairvoor recht verklaart dat deze erfdienstbaarheid is ontstaan door bevrijdende verjaring;
primairvoor recht verklaart dat de erfgrens aan de voorzijde van de woningen van partijen loopt over de aanwezige opstaande stenen rand, welke feitelijk al meer dan 20 jaren door partijen en hun rechtsvoorgangers als zodanig als erfgrens is gebruikt (zodat, toevoeging hof, de strook grond tussen de stenen rand en het perceel van [geïntimeerden] door bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [geïntimeerden] );
- aan de straatzijde begint bij een punt, door het Kadaster gemarkeerd met een ijzeren buis, in het midden van de gemetselde pilaar (zie 3.1. onder k.),
- ter hoogte van de voorgevel van de woning van [geïntimeerden] loopt door een punt op 65 cm uit het hoekpunt van die voorgevel,
- ter hoogte van de voorgevel van de garage van [appellanten] loopt door een punt op 55 cm uit de zijgevel van de woning van [geïntimeerden] , en
- ter hoogte van de achtergevel van dezelfde garage loopt door een punt op 34 cm uit het hoekpunt van die achtergevel.
primaireberoep op verkrijgende verjaring (in verband met de achtertuin) is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:99 BW Pro, op grond waarvan de eigendom wordt verkregen door bezit dat te goeder trouw is verkregen en dat gedurende een onafgebroken periode van tien jaren is uitgeoefend. Uit het bepaalde in artikel 3:102 lid 2 BW Pro volgt dat een door een rechtsvoorganger van [geïntimeerden] aangevangen verjaring door [geïntimeerden] kan worden voltooid, op voorwaarde dat zowel deze rechtsvoorganger als [geïntimeerden] zijn bezit te goeder trouw heeft verkregen. De verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit (artikel 3:102 BW Pro).
subsidiaire) beroep op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:105 BW Pro. Op grond van deze bepaling komt de eigendomsverkrijging vast te staan als [geïntimeerden] (of een van zijn rechtsvoorgangers) bezitter was van de desbetreffende strook grond op het moment dat de verjaring van de door [appellanten] (of zijn rechtsvoorganger) in te stellen rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit werd voltooid. Deze bevrijdende verjaring treedt op grond van artikel 3:306 BW Pro in door verloop van twintig jaren. De verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW Pro). De verjaringstermijn loopt door zolang een derde bezitter is (althans sprake is van de onrechtmatige toestand waarvan het bezit de voortzetting vormt). Niet van belang is hoeveel opvolgende bezitters er zijn geweest en hoe zij hun bezit hebben verkregen. Niet van belang is verder of het bezit door ieder van de bezitters al dan niet te goeder trouw is verkregen. Noodzakelijk is wel dat op het moment van de (vermeende) eigendomsverkrijging sprake is van
ondubbelzinnigbezit (zie HR 10 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601).
buitende termijn van zes maanden zoals voorgeschreven in artikel 3:317 lid Pro 2-slot jo. artikel 3:316 BW Pro. Dit betekent dat de door [appellanten] beoogde stuiting van de verjaring (zowel de verkrijgende als de bevrijdende, in verband met de achtertuinen én de voortuinen) niet eerder heeft plaatsgevonden dan op 8 augustus 2012, toen de dagvaarding, als daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316 BW Pro, werd betekend.
primaireberoep op eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring verdient vervolgens opmerking dat tussen het vroege voorjaar van 2002 en
geensprake is van goede trouw zowel feitelijk als juridisch deugdelijk onderbouwt.
kunnenzien. Reeds hierom behoorde [geïntimeerden] in het vroege voorjaar van 2002 te weten dat het op zijn minst onzeker was of hij door levering eigenaar was geworden van de strook onmiddellijk naast de garage. [geïntimeerden] had hierop nader onderzoek moeten doen, hetgeen hij (zoals volgt uit zijn eigen stellingen) heeft nagelaten. Gelet hierop kan van goede trouw geen sprake zijn.
subsidiaireberoep op eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW Pro dient vast komen te staan dat de rechtsvordering van de eigenaar van [straatnaam][huisnummer B] tot beëindiging van het bezit van de strook zoals uitgeoefend door de eigenaar van [straatnaam][huisnummer A] is verjaard. Het in r.o. 3.7.4. vastgestelde bezit door [geïntimeerden] sedert het vroege voorjaar van 2002 is daartoe onvoldoende. Voor de voltooiing van de verjaringstermijn van twintig jaren ex artikel 3:306 BW Pro is vereist dat het bezit is aangevangen op 8 augustus 1992 of eerder (zie r.o. 3.6.5.). Dit betekent dat, wil het beroep op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring slagen, belang toekomt aan de periode dat [verkoper 2] c.s. én [verkoper 4] c.s. eigenaren waren van het perceel [straatnaam][huisnummer A] . Ook ten aanzien van (het overgrote deel van) deze periode moet komen vast te staan dat [verkoper 1] c.s. het bezit over de strook grond in zijn achtertuin had verloren, doordat [verkoper 4] c.s. en [verkoper 2] c.s. dat bezit hebben uitgeoefend.
[verkoper 2] c.s.is niet geëigend om dit bezit te onderbouwen. Deze verklaring, die betrekking heeft op de periode tussen 1994 en december 2001, komt er veeleer op neer dat [verkoper 1] c.s. zich toen uitdrukkelijk heeft beschouwd als eigenaar van de desbetreffende strook grond en dat [verkoper 2] c.s. dit eigendomsrecht heeft erkend en gerespecteerd. [geïntimeerden] heeft echter gesteld dat de verklaring van [verkoper 2] c.s. onbetrouwbaar is en heeft deze stelling onderbouwd door te verwijzen naar een foto (overgelegd als onderdeel van prod. 16 cva) waarop volgens [geïntimeerden] zichtbaar is dat het kippenhok niet op een halve meter afstand van de garagemuur was gebouwd, maar tot veel dichter op de erfgrens. Volgens [geïntimeerden] heeft ook [verkoper 2] c.s. de strook grond naast de garage steeds - en met uitsluiting van [verkoper 1] c.s. - gebruikt als onderdeel van zijn achtertuin. [verkoper 2] c.s. heeft onder meer planten laten groeien tegen de zijwand van de garage, zoals blijkt uit een foto (prod. 9 cva). De (eerder genoemde) verklaring van [kleinzoon verkoper 1] , kleinzoon van [verkoper 1] c.s., is hiermee in overeenstemming, in die zin dat hij verklaart dat zijn grootouders geen actief gebruik maakten van de strook grond naast de garage, omdat deze daarvoor te smal was en omdat de percelen een halve meter in hoogte verschillen, en dat zij de bewoners van nr. [straatnaam][huisnummer A] nimmer het gebruik van de smalle strook hebben ontzegd (een uitzondering in verband met de brandveiligheid daargelaten).
bezitterwas van de strook grond grenzend aan zijn voortuin. Dit moment zou immers moeten liggen in de periode tussen december 2001 en 8 augustus 2012 (zie r.o. 3.6.5.). De desbetreffende strook grond was in die periode steeds toegankelijk voor [verkoper 1] c.s./ [appellanten] Dat [appellanten] bij de herbestrating van de oprit de bestaande rand in stand heeft gelaten is als zodanig nietszeggend. De stelling dat de strook grond door (rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] is beplant, is door [geïntimeerden] niet nader onderbouwd. Ook naar eigen zeggen van [geïntimeerden] staat de beukenhaag, lettend op de stammen, op eigen grond. Uit een door [geïntimeerden] in het geding gebrachte foto (eerder genoemd in r.o. 3.5.4.) blijkt dat in 2001 geen sprake was van overhangende takken. Dat takken van de beukenhaag in de jaren daarna zijn gaan overhangen boven het perceel van [appellanten] (zoals zou kunnen volgen uit andere door partijen overgelegde foto’s) betekent niet dat [geïntimeerden] zich is gaan beschouwen als de eigenaar van de daaronder gelegen grond. [appellanten] hoefde hierop in elk geval niet bedacht te zijn. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [geïntimeerden] , zoals hij stelt, de (uiterst smalle) strook grond heeft betrokken bij het onderhoud van zijn eigen voortuin. Bij gebreke aan door [geïntimeerden] gestelde feiten, die kunnen dienen om het door hem gestelde bezit van de strook grond grenzend aan zijn voortuin te onderbouwen, zal het hof [geïntimeerden] niet toe laten tot het leveren van bewijs op dit punt.
[verkoper 2] c.s.door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. Uit zijn schriftelijke verklaring volgt immers dat hij zich nimmer heeft beschouwd als de bezitter daarvan. De door [geïntimeerden] overgelegde foto uit 2001 (zie de r.o. 3.5.4. en 3.8.3.) onderbouwt de juistheid van de verklaring van [verkoper 2] c.s., in die zin dat daarop zichtbaar is dat de beukenhaag in 2001 niet verder groeide dan het perceel van (op dat moment:) [verkoper 2] c.s. [geïntimeerden] heeft niets gesteld dat hieraan afdoet.
subsidiairop het standpunt dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten laste van het perceel van [appellanten] en ten behoeve van het perceel van [geïntimeerden] Volgens [geïntimeerden] houdt deze erfdienstbaarheid in dat [appellanten] moet dulden dat de beukenhaag van [geïntimeerden] over zijn perceel heen groeit tot aan de opstaande stenen rand en dat [geïntimeerden] de zijgevel, de ramen en de dakgoot van zijn woning aan de voorzijde van zijn perceel onderhoudt vanaf de voorzijde van het perceel van [appellanten]
als eigenaar van het heersende erf,van [appellanten]
als eigenaar van het dienende erfkon verlangen dat laatstgenoemde de overhangende takken en het plegen van onderhoud zou dulden (zie de artt. 5:70 en 5:71 BW). [geïntimeerden] heeft het bestaan van dit - ondubbelzinnige - bezit op het moment van de (vermeende) eigendomsverkrijging onvoldoende onderbouwd. In verband met het onderhoud is daarbij nog van belang dat het burenrecht in artikel 5:56 BW Pro een regeling bevat die [appellanten] in uitgangspunt verplicht om toe te staan dat [geïntimeerden] voor het verrichten van werkzaamheden aan zijn woning tijdelijk gebruik maakt van de voortuin van [appellanten] Voor [appellanten] behoefde niet duidelijk te zijn dat [geïntimeerden] zijn recht om zijn woning te onderhouden vanuit de voortuin van [appellanten] , op het moment dat dit gebeurde, heeft gebaseerd op een erfdienstbaarheid. [geïntimeerden] heeft niets gesteld waaruit het tegendeel zou kunnen volgen.
‘pontificaal’voor het raam in de zijgevel van de woning van [geïntimeerden] Dit is duidelijk zichtbaar op de in het geding gebrachte foto en gebeurt kennelijk alleen om [geïntimeerden] te pesten/dwars te zitten. De handelwijze van [appellanten] is onrechtmatig jegens [geïntimeerden] wegens onrechtmatige hinder en dient daarom te worden beëindigd, aldus [geïntimeerden]
inhoudvan de kliko’s stank of andere (onrechtmatige) hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro veroorzaakt. Dit betekent dat het beroep op hinder faalt.
4.De uitspraak
's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
7 juni 2016voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 16 weken na de datum van dit arrest;