Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/300226/KG ZA 15-672)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellante] waarin bezwaar is gemaakt tegen het houden van een pleidooi;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] met daarin de reactie op dit bezwaar;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
3.De beoordeling
“[…] Op 21-04-2015 is de vestiging van [adres 1] [postcode 1] [plaats] van Zebra Class Decoration voortgezet door [vader van appellante] […] De volgende vestiging is als hoofdvestiging van de overdrager gekozen: [adres 2] [postcode 2] [plaats] […]”
“[…] Op 18-05-2015 is de onderneming van [vader van appellante] voortgezet door [appellante] […]”
“Wij zijn verhuisd naar [adres 1] ”.
Het belang van [appellante] bij het onbelemmerd voeren van haar onderneming is evident, maar door het drijven van een onderneming als Zebra Line die zoveel gelijkenis vertoont met de vof Zebra Class waarvan haar moeder één van de vennoten is, terwijl er een conflict gaande is tussen de vennoten over de afwikkeling van deze vof neemt zij het risico ook door dit conflict geraakt te worden. Gelet op alle onduidelijkheden die er zijn omtrent de middelen, de zaken en de overeenkomsten waarmee zij haar onderneming is gestart en thans drijft, dient in dit geval het belang van [geïntimeerde] bij de door hem gelegde conservatoire beslagen op de roerende zaken zwaarder te wegen dan het belang van [appellante] bij opheffing van deze beslagen.”, aldus de voorzieningenrechter.
“Duidelijk is in ieder geval dat mevrouw [de moeder van appellante] en haar schoolgaande dochter van 19 jaar –mevrouw [appellante] - doende zijn met het benadelen van verzoeker door onttrekking van de vennootschapsvoorraden en vennootschapskrediet van de vennootschap onder firma Zebra Class Decorations VOF.”