Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Onderzoek ter zitting
Beslissing
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor zover deze betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening (vermindering);
- verklaart de Rechtbank onbevoegd van het beroep in zoverre kennis te nemen;
- bepaalt dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 493 terugbetaalt; en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 496.
Gronden
Aangezien belanghebbende (onder meer) rechtstreeks beroep heeft ingesteld tegen de niet voor bezwaar vatbare beschikking, houdende de afwijzing van haar verzoek om ambtshalve herziening (strekkend tot vermindering van de te betalen premie), welke beschikking is voorzien in artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), had de Rechtbank, gezien artikel 26, lid 1, van de AWR, zich onbevoegd moeten verklaren tot kennisneming van het beroep, voor zover dat tegen die beschikking was gericht. Tegen die beschikking staat immers, gezien artikel 26, lid 1, van de AWR en artikel 7:1, lid 1, van de Awb, geen bezwaar en beroep open. Met betrekking tot een dergelijke beschikking kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 april 2006, nr. 41 033, ECLI:NL:HR:2006:AT3051, BNB 2006/302 en van 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42).
cassatie is gericht.