ECLI:NL:GHSHE:2016:2616

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
28 juni 2016
Zaaknummer
200.135.314_02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 RvArt. 843a Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel omissie hof door alsnog gelegenheid te geven antwoordmemorie na tussenarrest te nemen

In deze civiele procedure tussen Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie en Van Lanschot Bankiers N.V. heeft het hof bij eerdere tussenarresten partijen gelegenheid gegeven om memorie na tussenarrest in te dienen. Van Lanschot heeft echter nagelaten tijdig een antwoordmemorie na tussenarrest te nemen, ondanks een uitstel en een mededeling in het roljournaal dat zij hiertoe een week na het incidentarrest van 10 mei 2016 in de gelegenheid zou worden gesteld.

Van Lanschot heeft het hof verzocht het arrest in de hoofdzaak van 10 mei 2016 in te trekken wegens schending van het fundamentele procesrecht van hoor en wederhoor, omdat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen haar verweer volledig te presenteren. Het hof erkent deze omissie en besluit deze te herstellen door Van Lanschot alsnog toe te staan een antwoordmemorie na tussenarrest te nemen.

Daarnaast wordt de Stichting in de gelegenheid gesteld te reageren op de incidentele vordering van Van Lanschot. Partijen kunnen gelijktijdig nadere memorie(s) indienen over diverse in het arrest genoemde onderwerpen. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 20 september 2016, waarna het hof een definitief arrest zal wijzen waarin de alsnog ingediende stukken worden betrokken.

Door deze procedurele correctie wordt voldaan aan het fundamentele recht op hoor en wederhoor zoals neergelegd in artikel 19 Rv Pro, waarmee de rechtszekerheid en een eerlijke procesvoering worden gewaarborgd.

Uitkomst: Het hof herstelt de omissie door Van Lanschot alsnog de mogelijkheid te geven een antwoordmemorie na tussenarrest te nemen en houdt de zaak aan tot 20 september 2016.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.135.314/02
arrest van 28 juni 2016
in de zaak van
Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie [X.] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident ex art. 843a Rv,
verweerster in het incident ex art. 843a Rv,
advocaat: mr. J.M. van den Berg te Amsterdam,
tegen

1.F. van Lanschot Bankiers N.V.,

2.
Van Lanschot N.V.,
beide gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident ex art. 843a Rv,
eiseressen in het incident ex art. 843a Rv,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 23 december 2014 en 10 mei 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch onder zaaknummer 22951/ HA ZA 11-743 gewezen vonnis van 12 juni 2013.

8.Het (verdere) verloop van de procedure

8.1.
Bij tussenarrest van 23 december 2014 heeft het hof de Stichting in de gelegenheid gesteld zich bij memorie uit te laten over de in rov. 3.37., 3.38., 3.39. en 3.41. vermelde doeleinden en bepaald dat Van Lanschot hierna bij antwoordmemorie zou mogen reageren.
8.2.
De Stichting heeft (na hervatting) op 24 maart 2015 een memorie na tussenarrest tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv genomen. Van Lanschot heeft op 21 april 2015 een memorie van antwoord in het incident tevens houdende vordering ex artikel 843a Rv genomen. Van Lanschot is in de gelegenheid gesteld om op rol van 12 mei 2015 een antwoordmemorie na tussenarrest te nemen; op de rol van 12 mei 2015 is deze memorie niet genomen. Van Lanschot is op haar verzoek vijf weken uitstel verleend in verband met klemmende redenen.
In het incident is vervolgens uitspraak bepaald. Volgens het roljournaal zou Van Lanschot één week na het arrest in het incident alsnog een memorie van antwoord na tussenarrest mogen nemen.
8.3.
Bij tussenarrest van 10 mei 2016 heeft het hof beslist op de incidentele vorderingen en beslissingen genomen in de hoofdzaak. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld bij gelijktijdig te nemen nadere memorie (rov. 6.8) te reageren omtrent de in 6.3.14, 6.5.4, 6.5.5.2, 6.5.6.2, 6.5.9.2, 6.5.10, 6.5.11.2, 6.5.12.2, 6.6.6 en 6.7.2 vermelde doeleinden (abusievelijk is eveneens vermeld 6.7.3).

9.Het verzoek van Van Lanschot en beoordeling van dit verzoek

9.1.
Namens Van Lanschot is bij brief van 11 mei 2016 erop gewezen dat Van Lanschot ondanks de uitdrukkelijke mededeling in het roljournaal dat zij een week na het te wijzen arrest in het incident een nadere antwoordmemorie na tussenarrest zou mogen nemen, hiertoe niet in de gelegenheid is gesteld. Het tussenarrest van 10 mei 2016, voor zover gewezen in de hoofdzaak, is, aldus Van Lanschot, in strijd met fundamentele beginselen van procesrecht (het recht van hoor en wederhoor). Van Lanschot verzoekt het hof het arrest in te trekken en op een nader moment, mede op basis van de door Van Lanschot te nemen antwoordmemorie na tussenarrest van 23 december 2014, een herzien arrest te wijzen waarin de stellingen en het verweer van Van Lanschot tevens betrokken worden.
Namens de Stichting is bij brief van 12 mei 2006 bericht dat het verzoek van Van Lanschot moet worden afgewezen.
Partijen hebben bovengenoemde standpunten in hun brieven van 17 mei 2016 en 26 mei 2016 herhaald.
9.2.
Het hof heeft, zoals uit het hiervoor weergegeven procesverloop blijkt, op 10 mei 2016 een tussenarrest gewezen in zowel het incident als in de hoofdzaak. Het hof heeft daarbij abusievelijk verzuimd Van Lanschot eerst de gelegenheid te geven een antwoordmemorie na tussenarrest in de hoofdzaak te nemen. Het hof zal deze omissie herstellen door Van Lanschot alsnog in de gelegenheid te stellen een antwoordmemorie na tussenarrest van 23 december 2014 te nemen. Het hof zal vervolgens in een nader te wijzen arrest de in deze antwoordmemorie opgenomen stellingen en verweren van Van Lanschot in zijn oordeel betrekken en indien daartoe aanleiding bestaat, terugkomen op de in het tussenarrest van 10 mei 2016 gegeven bindende eindbeslissingen. Naar het oordeel van het hof is hiermee voldaan aan het in artikel 19 Rv Pro neergelegde fundamentele beginsel van het recht op hoor en wederhoor.
9.3.
Zoals reeds beslist in het arrest van 10 mei 2016 (rov. 6.7.2) zal de Stichting in de gelegenheid worden gesteld op de incidentele vordering van Van Lanschot te reageren. De Stichting zal daartoe een antwoordakte mogen nemen.
9.4.
Partijen zullen voorts, zoals in het tussenarrest van 10 mei 2016 is beslist, bij gelijktijdig te nemen nadere memorie zich mogen uitlaten over de in rov. 6.3.14, 6.5.4, 6.5.5.2, 6.5.6.2, 6.5.9.2, 6.5.10.2, 6.5.11.2, 6.5.12.2 en 6.6.6 vermelde onderwerpen. Partijen dienen de memories na tussenarrest van 10 mei 2016 op voorhand (uiterlijk zes weken na de datum van dit tussenarrest) aan elkaar toe te zenden, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door onder de eigen memorie een reactie op te nemen.

10.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 20 september 2016 voor:
- antwoordmemorie na tussenarrest van 23 december 2014 aan de zijde van Van Lanschot (rov. 9.2.);
- antwoordakte aan de zijde van de Stichting in het incident (van Van Lanschot) (rov. 9.3.);
- door partijen gelijktijdig te nemen memorie na tussenarrest van 10 mei 2016 met de in rov. 6.3.14, 6.5.4, 6.5.5.2, 6.5.6.2, 6.5.9.2, 6.5.10.2, 6.5.11.2, 6.5.12.2 en 6.6.6 vermelde doeleinden (rov. 9.4.);
partijen kunnen de door hen te nemen antwoordakte en/of (antwoord-) memorie(s) opnemen in één door hen in te dienen schriftelijk stuk;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, P.M. Arnoldus-Smit en A.C. Metzelaar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juni 2016.
griffier rolraadsheer