Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/214491/kg za 15/645)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord;
- het schriftelijk pleidooi, waarbij [appellant] een pleitnota heeft overgelegd en de Staat heeft afgezien van pleidooi.
3.De beoordeling
De Duitse autoriteiten hebben het verzoek gebaseerd op artikel 3 van Pro het verdrag inzake dc tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (EGTUL) van 13 november 1991 te Brussel. Volgens artikel 8, eerste lid, onder a van het voornoemde verdrag kan gekozen worden voor de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Ik heb het verzoek daarom voorgelegd aan de bijzondere kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
onmiddellijkevoortzetting van de tenuitvoerlegging van een straf. Daarmee wordt echter, gelet ook op artikel 8 onder Pro b van het EGTUL-Verdrag, gedoeld op de mogelijkheid dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt – zoals in het onderhavige geval – zonder voorafgaande (omzettings)procedure. Ook heeft [appellant] aangevoerd dat, nu hij niet gedetineerd was, van
voortgezettetenuitvoerlegging geen sprake is. Ook dit argument kan niet slagen, nu de procedure ingevolge artikel 43 e.v. Wots ook kan worden toegepast als de veroordeelde nog niet (in het buitenland) gedetineerd was. Artikel 43 lid 1 Wots Pro maakt immers zowel ‘tenuitvoerlegging’ als ‘voortgezette tenuitvoerlegging’ mogelijk. De procedure ingevolge artikel 43 e.v. Wots kan dus worden gevolgd als de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen. Ten slotte heeft [appellant] zich beroepen op artikel 43 lid 2 Wots Pro. Dit artikellid schrijft instemming van de veroordeelde voor met tenuitvoerlegging indien het toepasselijke verdrag dit bepaalt. Ook dit beroep wordt verworpen. In het onderhavige geval schrijft het toepasselijke verdrag, het EGTUL-Verdrag, deze instemming niet voor.