In deze civiele zaak staat de vraag centraal of appellant een geldlening van €207.456,60 van geïntimeerde heeft ontvangen en deze moet terugbetalen. Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest waarin appellant werd toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat sprake was van een overeenkomst van verbruikleen. Uit getuigenverklaringen blijkt dat er onvoldoende bewijs is dat de lening daadwerkelijk is verstrekt onder de voorwaarden zoals door geïntimeerde gesteld.
Voorts is vastgesteld dat appellant tegenover geïntimeerde heeft gedaan voorkomen dat de transactie legaal en vrijwel risicoloos was, terwijl er wel degelijk risico's waren. Appellant heeft geïntimeerde niet volledig geïnformeerd over de risico's, wat het hof onrechtmatig handelen acht. Dit heeft geïntimeerde bewogen tot het aangaan van een lening bij een derde geldverstrekker.
De omvang van de schade wordt vastgesteld op €200.456,60, na correctie voor koerswinst. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 maart 2009, het moment waarop geïntimeerde de beschikking over het bedrag verloor. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, wijzigt de toegewezen hoofdsom en bepaalt de rente-ingangsdatum. Appellant wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag plus rente en proceskosten, terwijl geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld.