Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
7.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in conventie en reconventie met producties;
- het schriftelijk pleidooi, waarbij [appellant] en Vitalis pleitnotities hebben overgelegd;
- het tussenarrest van 1 maart 2016;
- de akte van [appellant] ;
- de brief van mr. Stollenwerck van 25 maart 2016;
- de antwoordakte van Vitalis.
8.De beoordeling
- op 14 april 2010 de “Raamovereenkomst voor levering van diensten” (mvg, prod. 1). [de erflater] verbleef toen in het zorghotel van Vitalis;
- op 27 januari 2011 de “Deelovereenkomst verblijf” (mvg, prod. 2). [de erflater] verhuisde op dat moment van het zorghotel naar de afdeling Kleinschalig groepswonen Psychogeriatrie van [zorghotel] ;
- op 27 januari 2011 de “Deelovereenkomst BOPZ” (mvg, prod. 2).
(…).
(“Een zorginstelling mag betalingen voor aanvullende diensten vragen, waaronder de levering van additionele zorg. Voorwaarde is dat bewoners op vrijwillige basis van deze diensten gebruik kunnen maken”)en rov. 54 van de beslissing van de NZa
(“[zorgkantoor] heeft in haar rapportage richting [zorgaanbieder] aangegeven dat de zorgaanbieder in de zorgovereenkomst transparant dient te formuleren waaruit de extra zorgservice bestaat per functie en niveau, zodat het voor de cliënt duidelijk is waarvoor hij tekent. Tijdens het gesprek bij de NZa op 22 januari 2014, hebben [zorgkantoor] en [zorgaanbieder] aangegeven dat de zorgaanbieder thans voor de totstandkoming van de overeenkomst voor verblijf vastlegt welke zorg wordt geleverd en op welke wijze de verantwoording van de aanvullende zorg en diensten plaats heeft”). Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat de uit voornoemde wetsartikelen en de systematiek van de AWBZ voortvloeiende vereiste specificatie heeft plaatsgevonden door Vitalis. De enkele veronderstelling dat de gemaakte keuze voor [zorghotel] ook betekent dat gekozen is voor aanvullende zorg, is dan ook in strijd met voornoemde uitgangspunten.