ECLI:NL:GHSHE:2016:4661

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 oktober 2016
Publicatiedatum
17 oktober 2016
Zaaknummer
200.196.091/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 aanhef en sub b FwArt. 288 lid 1 aanhef en sub c FwArt. 288 lid 3 Fw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

De appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van bijna €86.000, na een mislukte minnelijke regeling. De rechtbank wees dit verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c Faillissementswet, omdat appellant niet te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden en niet aannemelijk was dat hij aan toekomstige verplichtingen zou voldoen.

De appellant was gedetineerd in Italië wegens drugssmokkel, wat leidde tot het faillissement en het niet kunnen nakomen van betalingsregelingen. Hij voerde aan dat de detentie niet de oorzaak was van het faillissement en dat de schulden ouder waren dan vijf jaar. Ook stelde hij dat hij geen psychosociale problemen had die zijn betalingsvermogen belemmerden.

Het hof oordeelde dat appellant bewust het risico nam door betrokkenheid bij drugssmokkel, wat leidde tot detentie en faillissement. Hoewel de exacte ontstaansdatum van de schulden niet kon worden vastgesteld, was duidelijk dat appellant niet te goeder trouw was bij het onbetaald laten van de schulden. Tevens ontbrak een verklaring van een hulpverlener die bevestigde dat appellant de verplichtingen uit de regeling zou kunnen nakomen.

De hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro kon niet worden toegepast omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijst wegens het ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 13 oktober 2016
Zaaknummer : 200.196.091/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/314754 / FT RK 16/573
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.P. Poelman te Tilburg.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 8 juli 2016.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en [appellant] alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant] , bijgestaan door mr. Poelman.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 19 september 2016.

3.De beoordeling

3.1.
[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 85.997,68
Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat een schuldeiser niet akkoord is gegaan.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.
Verzoeker is enige tijd gedetineerd geweest in het buitenland wegens een drugsdelict ten
gevolge waarvan zijn ondernemingsactiviteiten abrupt ten einde zijn gekomen en verzoeker
niet meer in staat was reeds afgesproken betalingsregelingen na te komen. Naar het oordeel
van de rechtbank kan verzoeker worden verweten dat hij zijn schulden onbetaald heeft
gelaten, met een (persoonlijk) faillissement tot gevolg. De omstandigheid dat verzoeker zelf’
inziet een grove fout te hebben gemaakt, inmiddels voldoende gestraft is voor zijn handelen
en graag een tweede kans wil krijgen, kan niet als rechtvaardiging gelden, omdat hij beter
had moeten weten.
Voorts is de rechtbank gebleken dat verzoeker kampt met psychische problemen.
veroorzaakt door de periode dat verzoeker gedetineerd is geweest. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring heeft de rechtbank niet mogen ontvangen van verzoeker en, mede gelet op de houding van verzoeker ter zitting, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker thans in staat is de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen
3.4.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
3.4.1.
Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de detentie in Italië heeft geleid tot het faillissement van [appellant] . Bovendien gaat de rechtbank er aan voorbij dat sedert de misstap van [appellant] meer dan vijf jaar verstreken zijn. De onderneming stevende reeds af op een faillissement; ook zonder detentie zou er sprake zijn geweest van een faillissement.
De detentie heeft niet bijgedragen aan de omvang van de schulden, noch in de zin dat daardoor nieuwe schulden zijn ontstaan, noch in de zin dat daardoor geen afbetalingen hebben plaatsgevonden die zonder detentie wel zouden hebben kunnen plaatsvinden. Het verzoek is ingediend op 22 april 2016, terwijl de detentie gestart is op de dag van zijn aanhouding, te weten op 11 april 2011; alle vorderingen dateren van meer dan 5 jaar voor indiening verzoek. Er waren in die tijd geen inkomsten, noch werden die verwacht. Zonder detentie was hij ook failliet gegaan met exact dezelfde schuldenlast.
3.4.2.
[appellant] bestrijdt dat er sprake is psychosociale problematiek. Onder psychosociale problematiek valt in het algemeen te verstaan samenhangende psychische en sociale problemen. In het kader van de schuldsanering valt met name te denken aan problemen die zorgen voor toename van schulden, het niet kunnen werken, of het niet kunnen
behouden van werk. Daarvan is geen sprake. [appellant] heeft psychische problemen gehad, doch geen sociale. De psychische problemen die hij gehad heeft en nog niet verdwenen zijn, hangen niet zo zeer samen met zijn detentie, als wel de omstandigheden waaronder de detentie plaats gevonden heeft. Die omstandigheden waaronder de detentie plaats gevonden heeft is en blijft een teer punt voor [appellant] , maar dat wil niet zeggen dat hij daardoor zijn leven niet onder controle heeft, schulden maakt en niet in staat zou zijn een betaalde baan te aanvaarden en naar behoren werkzaamheden uit te voeren.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.
Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
3.6.2.
Uit de inhoud van de 285-verklaring is het hof gebleken dat sprake is van een zevental schulden voor een totaalbedrag van bijna € 86.000,--, waarvan [appellant] stelt deze schulden vóór de datum waarop hij in staat van faillissement is verklaard, 16 augustus 2011, derhalve buiten de vijf-jaarstermijn als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw, zijn ontstaan.
Met betrekking tot deze schulden van [appellant] merkt het hof op dat wegens het ontbreken van verificatoire bescheiden het hof niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of [appellant] voor wat betreft het ontstaan laten van deze schulden te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub Fw). [appellant] heeft bij indieningsformulier d.d. 19 september 2016 weliswaar een groot aantal producties ter zake van deze schulden overgelegd, doch uit deze producties kan het hof niet afleiden wat van iedere afzonderlijke schuld exact de ontstaansdatum is geweest.
3.6.3.
Het hof overweegt dat, indien en voor zover [appellant] voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij met betrekking tot het ontstaan van zijn schulden te goeder trouw zou zijn geweest, dan naar het oordeel van het hof in ieder geval is gebleken dat [appellant] ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw). Immers, [appellant] is sinds april 2011 wegens drugssmokkel gedurende 27 maanden gedetineerd geweest in Italië. Het hof is van oordeel dat [appellant] vanwege van zijn penibele financiële situatie welbewust het risico heeft genomen dat hij met het transporteren van drugs van Italië naar Nederland - voor welk transport hij blijkens zijn eigen verklaring een financiële vergoeding had bedongen van de eigenaar van het koeriersbedrijf - zou kunnen worden gearresteerd en gedetineerd, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Het gevolg van de detentie van [appellant] is geweest dat hij in april 2011 in staat van faillissement is verklaard en hij sindsdien de belangen van zijn schuldeisers niet langer heeft kunnen aantrekken.
3.6.4.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt, dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw). Het hof overweegt dat [appellant] , die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat zijn behandeling wegens zijn psychische klachten als gevolg van zijn detentie in Italië in 2014 is beëindigd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft nagelaten een verklaring of een rapportage van een hulpverlener of een hulpverlenende instantie te overleggen, zodat voor het hof niet objectiveerbaar is welke ontwikkeling [appellant] gedurende zijn behandeling heeft doorgemaakt en dat hij in staat moet worden geacht gedurende een periode van in beginsel drie jaar alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen.
3.6.5.
Voor zover het hof mocht oordelen dat niet aannemelijk is dat [appellant] met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden goede trouw is, heeft [appellant] een beroep gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw Pro.
Deze bepaling kan het hof toepassen, indien de gedingstukken daartoe de nodige gegevens en documenten bevatten. Daarbij verdient vermelding dat aan de hardheidsclausule toepassing kan worden gegeven wanneer mede met de persoon van de schuldenaar samenhangende factoren, die tot het eerder ontsporen van de schuldenaar op financieel gebied hebben geleid, goed onder controle zijn gebracht en daardoor het uitzicht bestaat dat hij het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen (vgl. de conclusie van A-G Wuisman vóór HR 5 oktober 2012, LJN: BX5785, bij 2.5). Artikel 288 lid 3 ziet Pro, hoewel dit in de praktijk veelal het geval zal blijken te zijn, daarmee dus niet uitsluitend op personen met psychosociale en verslavingsproblemen (vgl. Kamerstukken 29 942, nr. 23, blz. 2/3).
Gelet op hetgeen het hof hiervoor in r.o. 3.6.4. met betrekking tot de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw heeft overwogen, is het hof anders dan door en namens [appellant] isgesteld van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw Pro). Daarenboven houdt de hardheidsclausule geen verband met het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw
3.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen laat overigens onverlet dat [appellant] op termijn, bijvoorbeeld langer dan vijf jaar na de beëindiging van de buitenlandse detentie en/of op het moment dat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en over een hoger inkomen komt te beschikken met welk inkomen hij opnieuw een buitengerechtelijke schuldregeling aan zijn schuldeisers kan aanbieden, een hernieuwd verzoek bij de rechtbank kan indienen om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, met dien verstande dat dit hernieuwd verzoek alsdan in ieder geval ook vergezeld dient te zijn van een verklaring van zijn hulpverlener ter adstructie van zijn stelling dat hij in moet worden geacht de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen.
3.8.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen L.Th.L.G. Pellis en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.