De zaak betreft het hoger beroep van een moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die haar ouderlijk gezag over haar dochter heeft beëindigd. De minderjarige verblijft al ruim vier jaar bij haar pleegmoeder, tevens haar oma, en de moeder kan zich niet verenigen met de beëindiging van het gezag.
De moeder voert aan dat zij haar leven heeft verbeterd, zelfstandig hulp heeft ingeschakeld, haar relatie heeft beëindigd en eigen woonruimte heeft gevonden. Zij stelt dat het perspectief voor haar dochter bij haar ligt en dat de rechtbank ten onrechte het gezag heeft beëindigd. De raad en de gecertificeerde instelling benadrukken echter het belang van duidelijkheid en stabiliteit voor het kind.
Het hof overweegt dat het kind in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door onrust, wisselingen van woonomgeving en hechtingsproblemen. Het verblijf bij de pleegmoeder biedt de noodzakelijke rust en veiligheid. Het hof oordeelt dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn de opvoeding verantwoord op zich te nemen en bekrachtigt de beschikking tot beëindiging van het gezag.
De moeder blijft wel de moeder van het kind en het belang van goed contact wordt erkend. Het hof wijst verzoeken om nieuw onderzoek af vanwege de noodzaak van duidelijkheid en rust voor het kind. De voogdij wordt opgedragen aan de gecertificeerde instelling, met mogelijkheid tot toekomstige betrokkenheid van de pleegmoeder en moeder.