Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende en zijn echtgenote waren in 2011 fiscale partners en deden gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting. Zij maakten een keuze over de verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Nadat de aanslagen op 9 november 2012 onherroepelijk waren vastgesteld, verzocht belanghebbende op 17 juni 2013 om wijziging van deze verdeling en een ambtshalve vermindering van de aanslag. Dit verzoek werd afgewezen door de Inspecteur en de Rechtbank.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de wijziging op grond van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 mogelijk moest zijn, onder meer wegens dwaling veroorzaakt door het aangifteprogramma, en dat de Inspecteur in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens werd een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
Het Hof oordeelde dat de wettelijke regeling duidelijk bepaalt dat de verdeling niet meer kan worden gewijzigd nadat de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Het beroep op dwaling werd verworpen omdat het verzamelinkomen duidelijk was en het recht op ouderenkorting niet afhankelijk is van de verdeling van de grondslag. De aangevoerde beginselen boden geen grond voor wijziging, mede omdat geen omissie in het aangifteprogramma was vastgesteld. Het beroep op de hardheidsclausule werd eveneens afgewezen omdat deze bevoegdheid niet aan de rechter toekomt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.