Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/293068 HA ZA 15-5)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de bij brief van 12 september 2016 door de advocaat van de vrouw toegezonden producties;
- het pleidooi, waarbij de advocaat van de man een pleitnotitie heeft overgelegd.
3.De beoordeling
- de verdeling vast te stellen op de wijze als verwoord in punt 11 tot en met 20 van de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie;
- de man te veroordelen om met ingang van de datum van het te wijzen vonnis aan de vrouw voor levensonderhoud te betalen een bedrag van € 4.020,- per maand,
- de overwaarde van de woning aan de Schets van [het adres] te [woonplaats] (hierna: de woning);
- de waarde van de levensverzekering;
- de op naam van de man gestelde rekeningen per 13 mei 2013;
- de waarde van eventuele andere beleggings/verzekeringspolissen;
- het verstrekken van inlichtingen ter zake van de voor de dochters van partijen gereserveerde studiegelden, met bepaling indien en voor zover de man deze gelden heeft opgenomen anders dan voor de studie van de kinderen, de man de betreffende bankrekeningen dient aan te zuiveren;
- het ondertekenen van de afstandsverklaring, inhoudende dat hij afstand doet van de op het kenteken van de auto van de vrouw opgebouwde schadevrije jaren;
- betaling aan de vrouw van een bedrag ter zake van haar kosten van levensonderhoud ter hoogte van € 4.020,- bruto per maand, met ingang van 1 oktober 2015 dan wel een zodanig bedrag dat het hof juist acht;
- partijen hebben een samenlevingsovereenkomst met elkaar gehad;
- de woning waarin partijen met elkaar hebben samengewoond behoort geheel aan de man in eigendom toe en hij heeft steeds de hypotheekrente betaald;
- de polis van levensverzekering is afgesloten door de man en hij alleen is verzekeringnemer en hij heeft steeds de premie betaald;
- partijen hebben de inboedel met elkaar verdeeld en ieder heeft de aan hem/haar toegedeelde zaken ook feitelijk in bezit genomen;
- ten tijde van de verbreking van de samenleving hadden partijen geen gezamenlijke bankrekening(en).