ECLI:NL:GHSHE:2016:5270

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 november 2016
Publicatiedatum
24 november 2016
Zaaknummer
20-001780-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 197 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor bezit van vals reisdocument

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het bezit van een Spaanse verblijfskaart waarvan hij wist dat deze vals was. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het hoger beroep behandeld en kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging. De verdediging voerde aan dat vanwege de reeds doorgebrachte tijd in vreemdelingenbewaring en het verblijf van de verdachte in een ander EU-land een geheel voorwaardelijke straf passend zou zijn.

Het hof verwierp dit strafmaatverweer en oordeelde dat een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Tevens zag het hof geen aanleiding om de tijd in vreemdelingenbewaring te verdisconteren, omdat deze maatregel geen strafrechtelijk doel dient.

Het hof vernietigde het vonnis slechts ten aanzien van de kwalificatie van het bewezen verklaarde en kwalificeerde het feit als bezit van een vals reisdocument conform artikel 231 Sr Pro. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de politierechter, inclusief de opgelegde straf van twee maanden gevangenisstraf.

Uitkomst: De gevangenisstraf van twee maanden wegens bezit van een vals reisdocument wordt bevestigd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001780-15
Uitspraak : 23 november 2016
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 19 mei 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-027504-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
[adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van de bewezenverklaring dat de verdachte in het bezit was van een Spaanse verblijfskaart terwijl hij wist dat die verblijfskaart vals was, conform de eis van de officier van justitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
De raadsman van verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de kwalificatie van het bewezen verklaarde en onder aanvulling van de strafoverwegingen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 231 Wetboek Pro van Strafrecht.
Aanvullende overweging met betrekking tot de op te leggen straf
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft bepleit aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte zou reeds geruime tijd in vreemdelingenbewaring hebben doorgebracht hetgeen gelet op de proportionaliteit en de subsidiariteit moet meewegen bij de strafoplegging. Voorts verblijft verdachte thans in een ander EU-land. Indien de verdachte een onvoorwaardelijke straf in Nederland moet ondergaan, komt artikel 197 Wetboek Pro van Strafrecht aan de orde, hetgeen niet wenselijk is. In de visie van de verdediging wordt met een voorwaardelijke straf voldoende gewaarborgd dat verdachte niet opnieuw naar Nederland zal komen.
Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof doet een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding een andere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan. Voor het verdisconteren van de tijd die de verdachte in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, ziet het hof evenmin aanleiding, nu deze vrijheidsbenemende maatregel geen strafrechtelijk doel heeft maar wordt opgelegd met als doel de voorbereiding van de verwijdering van de vreemdeling uit de betrokken lidstaat.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezen verklaarde en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor vermeld.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.
Aldus gewezen door
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. J.C.A.M. Claassens en mr. R.D. van Heffen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,
en op 23 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.