Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, die een eenmanszaak dreef, had zijn gehele woning als ondernemingsvermogen aangemerkt in zijn belastingaangiften over 2008 en 2009. De woning werd gezamenlijk met zijn partner, zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap, maar met een notariële samenlevingsovereenkomst, bewoond. De Inspecteur betwistte de etikettering van de woning als ondernemingsvermogen en stelde dat de vereiste aangiften niet waren gedaan.
Tijdens het hoger beroep stelde het Hof vast dat de stelling van de Inspecteur over het ontbreken van vereiste aangiften te laat was ingebracht (tardief) en niet in behandeling werd genomen. Vervolgens beoordeelde het Hof of de woning voor ten minste 10% zakelijk gebruik bestemd was, zoals vereist om tot het ondernemingsvermogen te behoren.
Uit de feiten bleek dat de kantoorruimte van 16 m² zakelijk werd gebruikt, evenals een deel van de zolder en een klein deel van de hal. De totale zakelijke oppervlakte bedroeg circa 23,6 m², minder dan de vereiste 10% van de totale oppervlakte van 261 m². Andere ruimten zoals keuken, toilet en garage werden niet aannemelijk zakelijk gebruikt. Daarom werd het 10%-vereiste niet gehaald.
De conclusie van het Hof was dat de woning niet tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend en het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de woning wordt niet als ondernemingsvermogen aangemerkt wegens onvoldoende zakelijk gebruik.