ECLI:NL:GHSHE:2016:5387

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 december 2016
Publicatiedatum
5 december 2016
Zaaknummer
200.193.460/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 FwArt. 354 lid 2 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging schuldsaneringsregeling wegens nieuwe bovenmatige schulden

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 1 december 2016 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellante. Het hof bevestigde het eerdere vonnis dat de regeling terecht is beëindigd vanwege het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

De procedure kende een tussenarrest van 8 september 2016, waarin de bewindvoerder werd verzocht verificatoire bescheiden te overleggen over de exacte ontstaansdata van de nieuwe schulden. De bewindvoerder heeft vervolgens diverse schuldenoverzichten van de Belastingdienst en een gerechtsdeurwaarder overgelegd.

Uit deze stukken bleek dat een substantieel deel van de nieuwe schulden, waaronder belastingschulden en een schuld aan CZ, reeds bestond vóór 3 maart 2014, de datum waarop de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zouden vervallen. Het hof oordeelde dat appellante deze schulden ex artikel 350 sub d Faillissementswet Pro (Fw) volledig zijn toe te rekenen, mede omdat zij bekend was of geacht werd bekend te zijn met haar informatieplicht en het verbod op het maken van nieuwe bovenmatige schulden tijdens de regeling.

Gezien de maximale verlenging van de regeling en de aard van de tekortkoming zag het hof geen reden om hiervan af te wijken. Het vonnis van de rechtbank werd dan ook bekrachtigd en de schuldsaneringsregeling werd definitief beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

Uitkomst: De schuldsaneringsregeling van appellante wordt definitief beëindigd wegens het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 1 december 2016
Zaaknummer : 200.193.460/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/11.150 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Utrecht.
als vervolg op het door dit hof op 8 september 2016 gewezen tussenarrest.

5.Het tussenarrest van 8 september 2016

Bij dit arrest heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen om, uiterlijk op de in het dictum van dit tussenarrest vermelde pro-forma datum, alsnog verificatoire bescheiden te overleggen waaruit het hof de exacte ontstaansdata van de door de bewindvoerder gestelde nieuwe schulden genoegzaam kan herleiden.

6.De verdere loop van de procedure

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de op 28 september 2016 door dit hof ontvangen brief met bijlagen van de bewindvoerder, inhoudende een tweetal door de Belastingdienst opgestelde en aan de bewindvoerder verzonden schuldenoverzichten d.d. 26 februari 2016 respectievelijk 4 april 2016 alsmede een drietal door PRC Gerechtsdeurwaarders & Incasso opgestelde en aan de bewindvoerder verzonden schuldenoverzichten d.d. 23 februari 2015, 21 april 2015 respectievelijk 25 maart 2016.

7.De beoordeling

7.1.
Uit voornoemde bescheiden maakt het hof op dat de bewindvoerder, zoals ook door haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is verklaard, door de Belastingdienst eerst eind februari en begin april 2016 op de hoogte is gesteld van de op dat moment (nog) bestaande fiscale schuldenlast van [appellante] . Tevens maakt het hof uit voornoemde bescheiden op dat de bewindvoerder eerst eind maart 2016 het meest recente schuldenoverzicht heeft ontvangen van PRC Gerechtsdeurwaarders & Incasso aangaande de schuld van [appellante] aan CZ. Het hof is nog altijd van oordeel dat de bewindvoerder geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het bestaan en de omvang van de schulden eerst kort voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] aan laatstgenoemde kenbaar heeft kunnen maken. omdat van [appellante] in het kader van haar schuldsaneringsregeling naar het oordeel van het hof verwacht had mogen worden dat zij, nu de betreffende schulden immers met name zien op niet betaalde facturen, bekend was met het bestaan van deze schulden en daarbij had dienen te onderkennen dat deze schulden op enig moment bij haar bewindvoerder bekend zouden raken. Bovendien geldt dat op [appellante] in het kader van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht, met welke verplichting zij bekend is of geacht wordt bekend te zijn, de verplichting rustte om de bewindvoerder uit eigen beweging te informeren omtrent het onbetaald laten van de aan onderhavige schulden ten grondslag liggende facturen.
7.2.
Voorts maakt het hof uit voornoemde bescheiden op dat de betreffende schulden voor een substantieel deel reeds bestonden voor 3 maart 2014, de in het verlengingsvonnis van 8 oktober 2012 genoemde datum waarop alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen met uitzondering van het inlopen van de boedelachterstand voor [appellante] zouden vervallen. Zo bestaat de belastingschuld van [appellante] voor het overgrote deel, namelijk ongeveer, 84%, uit niet betaalde aanslagen uit hoofde van de motorrijtuigen- en inkomstenbelasting over het jaar 2013. Voor de schuld aan CZ geldt dat het gedeelte van deze schuld dat door de met de incasso hiervan belaste gerechtsdeurwaarder is geadministreerd onder dossiernummer [dossiernummer] , op 25 maart 2016 bedragende € 273,18 PM, bestaat uit het niet betaalde eigen risico over de maanden september en november 2013.
7.3.
Op grond van het vorengaande acht het hof deze bovenmatige nieuwe schulden (tot een totaal bedrag van € 3.478,18) [appellante] ex artikel 350 aanhef Pro en sub d Fw dan ook ten volle toerekenbaar, tevens nu [appellante] bekend is of geacht wordt bekend te zijn met de omstandigheid dat tijdens een wettelijke schuldsanering geen bovenmatige nieuwe schulden mogen worden gemaakt. Het hof ziet daarbij voorts, mede gelet op de omstandigheid dat de duur van de schuldsaneringsregeling reeds maximaal verlengd is, geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw Pro te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.
7.4.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

8.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.