Partijen zijn in 2010 gehuwd en hebben een minderjarige geboren in 2013. Na de echtscheiding heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw vastgesteld en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen. De man is tegen deze beslissingen in hoger beroep gekomen. Hij betoogt dat het huwelijksvermogensregime onder Tunesisch recht moet worden toegepast en dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem moet worden vastgesteld vanwege bedreigingen van de vrouw en financiële belangen.
De vrouw betwist de beweringen van de man en stelt dat zij niet van plan is Nederland te verlaten en dat het hoofdverblijf terecht bij haar is vastgesteld. De gecertificeerde instelling neemt geen standpunt in over het hoofdverblijf, maar benadrukt het belang van het stoppen van de strijd tussen partijen.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het verzoek van de man om toepassing van Tunesisch recht op de verdeling van de huwelijksgoederen geen belang heeft omdat dit geen wijziging in het vonnis teweegbrengt. Ten aanzien van het hoofdverblijf constateert het hof dat beide ouders goede verzorgers zijn en dat het formele hoofdverblijf voor de minderjarige niet van grote betekenis is, maar voor partijen wel vanwege financiële en praktische redenen. Het hof ziet geen reden om het hoofdverblijf bij de vrouw te wijzigen en wijst ook het verzoek tot aanhouding af.
Daarmee bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het alle verdere verzoeken af.