Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 276275 / HA ZA 14-60)
2.Het verloop van het geding in hoger beroep
- de voornoemde dagvaardings- en herstelexploten;
- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis, van [appellante] met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
beide partijen zakelijke partijen zijn”, volgt dat ook uit haar eigen stellingen. In dit geval heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 5 lid 1 aanhef Pro en onder a Verordening: een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, dus in dit geval voor de Nederlandse rechter. Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter en op de onderhavige rechtsverhouding tussen partijen is Nederlands (proces)recht van toepassing. Het hof verwerpt de door [appellante] ingeroepen nietigheid van het inleidend dagvaardingsexploot en oordeelt dat (de tegen de veroordeling bij verstek in verzet gekomen) [appellante] door het gestelde gebrek niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Voor zover dit volgens [appellante] anders zou zijn, onderbouwt zij dat ook niet genoegzaam terwijl [appellante] blijkens haar inmiddels gegeven standpunten daardoor ook niet is bemoeilijkt in haar te voeren verdediging.