ECLI:NL:GHSHE:2017:137

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 januari 2017
Publicatiedatum
19 januari 2017
Zaaknummer
200 202 154_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 2 RvArt. 806 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn in familierechtelijke zaak

In deze zaak heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind en kosten van levensonderhoud. Het beroepschrift werd echter pas op 18 oktober 2016 ingediend, terwijl de beroepstermijn op 4 oktober 2016 was verstreken.

De vrouw stelde dat een bijzondere omstandigheid, namelijk een mogelijke fout bij de vervoerder die de stukken te laat bij het hof zou hebben aangeboden, een uitzondering op de termijnoverschrijding rechtvaardigde. Het hof oordeelde dat uit de stukken en de mondelinge behandeling geen aanwijzingen voor deze bijzondere omstandigheid naar voren kwamen. De dozen met stukken bevonden zich op 17 oktober nog in het depot van de vervoerder en werden pas op 18 oktober aan het hof aangeboden.

Het hof benadrukte dat de beroepstermijn van openbare orde is en dat de wet geen uitzondering kent voor de door de vrouw aangevoerde omstandigheden. Ook het herstel van een fout binnen veertien dagen na het verstrijken van de termijn vormt geen grond om niet-ontvankelijkheid achterwege te laten.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk en handhaafde de beschikking van de rechtbank Limburg van 4 juli 2016.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder geldige bijzondere omstandigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 19 januari 2017
Zaaknummers: 200.202.154/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/203851 / FA RK 15-904
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.G.M. Nass.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juli 2016.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking (deels) te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand aan de vrouw een bedrag van € 550,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen [minderjarige] , zulks met ingang van 15 september 2016, althans die bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof redelijk acht alsmede te bepalen dat de man voor de eerste van iedere maand aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud dient te voldoen van € 565,- per maand.
2.2.
De mondelinge behandeling, die uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep betrof, heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Stassen;
  • de man, bijgestaan door mr. Nass.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 17 oktober 2016;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 19 oktober 2016;
- de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitnota.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1.
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep. In dit verband is het volgende gebleken.
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 4 juli 2016 uitspraak gedaan. Ingevolge artikel 358 lid 2 juncto Pro artikel 806 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering had de vrouw de gelegenheid om hoger beroep in te stellen binnen drie maanden, te rekenen na de dag van de uitspraak. Derhalve kon de vrouw uiterlijk op 4 oktober 2016 hoger beroep instellen tegen voornoemde beschikking.
3.2.
De dag waarop het beroepschrift is ingekomen ter griffie van het hof is maatgevend voor de beantwoording van de vraag of het hoger beroep door de advocaat van de vrouw tijdig is ingesteld (de ontvangsttheorie). Het beroepschrift is afgestempeld op 18 oktober 2016 en derhalve buiten de termijn ingekomen ter griffie van het hof.
3.3.
De advocaat van de vrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid die een uitzondering op handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigt. Deze bijzondere omstandigheid is - zo stelt de advocaat van de vrouw - hierin gelegen dat niet kan worden uitgesloten dat de vervoerder, aan wie de advocaat van de vrouw op 29 september 2016 twee dozen met daarin een aantal beroepschriften en de daarbij behorende stukken van de eerste aanleg ter vervoer heeft aangeboden, gepoogd heeft deze dozen op 1 oktober 2016 (een zaterdag) bij de postbus van het hof te bezorgen en daarbij in de postbus van het hof een bericht heeft achtergelaten met de mededeling dat er twee dozen bestemd voor het hof vergeefs zijn aangeboden. De vrouw houdt het ervoor dat er sprake is van een apparaatsfout en/of administratieve fout.
De advocaat van de man heeft de niet-ontvankelijkheid van de vrouw in het hoger beroep bepleit op grond dat het hoger beroep te laat is aangetekend.
3.3.1.
Het hof is van oordeel dat noch uit de aan het hof ter beschikking staande stukken noch uit de mondelinge behandeling enig aanknopingspunt blijkt voor de stelling van de advocaat van de vrouw dat gepoogd is om de betreffende dozen op 1 oktober 2016 - hetgeen tijdig zou zijn - bij de postbus van het hof met achterlating van een bericht van aankomst te bezorgen. Integendeel, uit de stukken leidt het hof af dat deze dozen zich op 17 oktober 2016 nog in het depot van de door de advocaat van de vrouw ingeschakelde vervoerder bevonden en pas op 18 oktober 2016, derhalve te laat, bij het hof zijn aangeboden. Van de door de advocaat van de vrouw gestelde bijzondere omstandigheid die een uitzondering op handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigt is het hof derhalve niet gebleken.
Ook overigens is een dergelijke omstandigheid niet aan het hof gebleken. Als een zodanige omstandigheid kan niet gelden dat de vrouw - zoals zij stelt - binnen een termijn van veertien dagen na het verlopen van de beroepstermijn een mogelijke omissie en/of door haar gemaakte fout heeft hersteld. Evenmin kan het hof een niet-ontvankelijkverklaring achterwege laten, omdat dit - naar stellen van de vrouw - gelet op haar belangen tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Immers, de termijn van hoger beroep is van openbare orde en de wet kent de door de vrouw genoemde uitzondering op handhaving van die termijn niet in een zaak als de onderhavige.
3.4.
Gelet op het voorgaande zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juli 2016.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.K. Veldhuijzen van Zanten en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.