Belanghebbende stelde beroep in tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting voor de periode 2006. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ontvankelijk en behandelde de zaak. In hoger beroep stelde de Inspecteur dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Het hof onderzocht ambtshalve de ontvankelijkheid en constateerde dat het beroepschrift volgens het poststempel op 16 maart 2015 ter post was bezorgd, maar pas op 17 maart 2015 bij de Rechtbank was ontvangen, terwijl de beroepstermijn eindigde op 13 maart 2015.
De gemachtigde van belanghebbende stelde dat het beroepschrift op 13 maart 2015 was verzonden, maar kon dit niet met bewijs staven. Het hof volgde het bewijsrechtelijk uitgangspunt dat de datum van het poststempel geldt als terpostbezorging en concludeerde dat het beroep niet tijdig was ingediend. Er waren geen omstandigheden die het te laat indienen konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde het hof het beroep niet-ontvankelijk.
Het hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en bepaalde dat de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden en de proceskosten van belanghebbende moest vergoeden. De uitspraak werd mondeling gedaan op 24 maart 2017 en schriftelijk bevestigd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.