Belanghebbende, woonachtig in Nederland in 2011 en werkzaam voor een Nederlandse BV, voerde werkzaamheden uit in België. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) gaf een detacheringsverklaring af die belanghebbende in Nederland premieplichtig stelde voor de premie volksverzekeringen. Deze verklaring is niet ingetrokken en wordt door het Hof als bindend beschouwd.
Belanghebbende stelde dat de detacheringsverklaring onjuist was en dat hij niet premieplichtig was in Nederland. Het Hof oordeelde dat de verklaring rechtsgeldig is, mede gelet op de Europese Verordeningen en jurisprudentie van het Hof van Justitie, en dat het Hof niet bevoegd is om de feiten waarop de verklaring is gebaseerd te toetsen.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar door een onbevoegde persoon was gedaan en dat het mandaat niet correct was gepubliceerd. Het Hof verwierp deze bezwaren omdat belanghebbende niet benadeeld was. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen omdat het Hof binnen twee jaar uitspraak deed na ontvangst van het hoger beroepschrift.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en het griffierecht werd niet terugbetaald.