Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Onroerend Goed] Onroerend Goed B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[Beheer] Beheer B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant 4],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/281343 HAZA 14-522)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 28 januari 2016;
- de memorie van grieven met eiswijziging en producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi van 14 maart 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 28 februari 2017 door (de advocaat van) [appellant c.s.] toegezonden producties, die [appellant c.s.] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;
- de brief van de gemeente van 10 april 2017.
3.De beoordeling
Het hof ziet aanleiding om in onderstaande volgorde te oordelen.
“Dit alles overziende moet geconcludeerd worden dat het College ervoor heeft gekozen om het ten aanzien van [appellant 4] op 13 december 2011 besprokene niet aan het papier toe te vertrouwen, althans niet op de besluitenlijst te vermelden. Vast staat wel dat de inhoud van het gesprek van 9 december 2011 in het College is besproken en dat er een beslissing (ook al is dat ‘slechts’ een beslissing om verweer te voeren, of een beslissing om niet in te stemmen met de afspraken van 9 december 2011) is genomen.”[appellant c.s.] leidt uit diverse contacten met [wethouder 1] (sms berichten van 14 en 16 december 2011 en telefonische contacten op 15 en 31 december 2011) af, dat de door hem gestelde goedkeurende besluitvorming binnen het college heeft plaatsgevonden. Voor het telefonische contact met [wethouder 1] op 15 december 2011 verwijst [appellant c.s.] nog naar de getuigenverklaringen van hem zelf en van [gemeenteraadslid 1] (proces-verbaal voorlopig getuigenverhoor, pagina’s 5 en 7).
- een procesbesluit (prod. 2 bij memorie van grieven) om verweer te voeren in de door [appellant c.s.] op 26 november 2011 opgestarte procedure (zie 3.1. sub e)),
- een mondeling besluit dat met [appellant 4] zou worden verder gepraat.
“niet meer over een derde deskundige gesproken”. Vaststaat dat [deskundige van de gemeente] en [accountant van appellant c.s.] in hun gesprek op 14 februari 2012 of nadien ook geen daadwerkelijke initiatieven hebben ontplooid om een derde deskundige aan te wijzen. Dat [appellant c.s.] mogelijk uit mededelingen van [accountant van appellant c.s.] heeft begrepen dat er een vervolggesprek tussen de deskundigen zou komen waarbij de mogelijkheid van benoeming van een derde deskundige zou worden besproken (memorie van grieven nr. 30), duidt slechts op het eventueel verkennen van een optie en niet op een collegebesluit. Een dergelijke verkenning heeft ook niet daadwerkelijk plaatsgevonden. Na het gesprek tussen [accountant van appellant c.s.] en [deskundige van de gemeente] , heeft de gemeente in haar brief van 12 maart 2012 (3.1. sub i) aan [appellant 4] geschreven dat niet tot overeenstemming kon worden gekomen en dat de juridische procedures zouden voortduren. In het bij die brief gevoegde verslag van [deskundige van de gemeente] (prod. 2 bij conclusie van antwoord) is vermeld dat [accountant van appellant c.s.] op dezelfde dag van het gesprek (14 februari 2012) aan [deskundige van de gemeente] heeft teruggekoppeld dat [appellant 4] vond dat er sprake was een onwaardig bod van de gemeente en dat [appellant 4] nu des te meer getriggerd was om door te gaan op de juridische weg. Vast staat dat [appellant c.s.] verder heeft geprocedeerd en in rechte ook pas ruim een jaar later (verzoekschrift van 4 april 2013) een beroep heeft gedaan op de gestelde vaststellingsovereenkomst.