Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[Services] Services B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.De eerdere gedingen in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie
2.Het geding na verwijzing
- de memorie na verwijzing van [appellanten c.s.] (met twee producties);
- de memorie na verwijzing van Antea c.s.;
- het pleidooi, waarbij beide partijen een pleitnota hebben overgelegd;
3.De beoordeling
“Zoals besproken, stuur ik je hierbij de reactie van de banken. Geen enkele van de 5 vermelde banken, heeft een positieve reactie gegeven. In de huidige bancaire marktsituatie is de overeengekomen prijs niet financierbaar gebleken. Hun onderbouwing tref je aan in de bijgesloten brief. Bij deze zie ik derhalve formeel af van de overname van de aandelen, beschreven in onze overeenkomst. (...)”
‘dat [appellant] jegens Antea c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door enerzijds namens [Services] Services contractuele verplichtingen te aanvaarden waaraan zij op dat moment niet kon voldoen en waarvoor zij geen verhaal bood en anderzijds noch de nodige middelen aan [Services] Services te verschaffen noch tijdig en correct een beroep te doen op het financieringsvoorbehoud in de overeenkomst’. Volgens [appellanten c.s.] heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bij dat oordeel eraan voorbij gezien dat [appellant] als (indirect) bestuurder van [Services] Services alleen persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden indien hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, althans niet gemotiveerd dat het hof dat vereiste bij zijn oordeel heeft betrokken.
aanvaardingvan de verplichtingen namens [Services] Services) ongegrond wordt bevonden, vloeit daaruit onverbrekelijk voort dat van onrechtmatig handelen van [appellant] vanwege de
aanwijzingevenmin sprake is. Dit nog afgezien van de vraag of de aanwijzing wel als een persoonlijke verplichting van [appellant] kan worden beschouwd nu [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst al handelde als gevolmachtigde van een of meer aan te wijzen personen of vennootschappen (die in de koopovereenkomst van de aandelen van 12 september 2008 als contractspartij zijn aangeduid). Van een situatie als voorzien in art. 3:67 lid 2 BW Pro – niet tijdig noemen van de naam van de nader te noemen volmachtgever waardoor de gevolmachtigde geacht wordt de overeenkomst in eigen naam te zijn aangegaan – is in de onderhavige zaak geen sprake, gezien de in dit geding na verwijzing niet meer aan de orde zijnde verwerping van grief 1 in het incidenteel appel in het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2013.
“3.5 (..) Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).”
“Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.”
“(..) Voor 12 september zijn met partijen maar vooral ABN AMRO voorbesprekingen geweest die voldoende grond gaven voor zeer uitvoerige uitwerking van de financieringsaanvraag en vertrouwen om de financiering daadwerkelijk te realiseren. Vanwege de aflossings en renteverplichtingen was een integrale benadering van overname en groeifinanciering noodzakelijk. De betrokken banken waren hiervan op de hoogte en dit vormde geen belemmering voor de financiering. Het groeikrediet was zelfs een noodzakelijk onderdeel van een financiering van de aandelenkoop. De banken gaven positieve signalen met betrekking tot een gecombineerde financieringsaanvraag en de koopovereenkomst is aldus aangegaan in het vertrouwen dat de financiering zou worden verstrekt. (..)”.
dat de financiële wereld er enkele weken na 12 september 2008 geheel anders is komen uit te zien; in de troonrede van 16 september 2008 werd nog een groot vertrouwen in de financieel-economische positie en toekomst van Nederland uitgesproken doch twee weken laten ging Lehman Brothers failliet en op 3 oktober 2008 werden Fortis en ABN AMRO genationaliseerd. De banken zaten nagenoeg op slot. Naast de algemene financiële crisis en recessie die zich in de loop van oktober 2008 openbaarden, kwamen daar voor [Alternative Fuel Systems] nog een aantal specifieke factoren bij: onduidelijkheid over de invloed van de sterk gedaalde en volatiele olieprijs op de afzet van autogassystemen; zeer wisselende resultaten van [Alternative Fuel Systems] in de laatste jaren; een snelle resultaatsverandering in de automotivesector gedurende de periode van de financieringsaanvraag; combinatie uitkoop aandeelhouder, ontwikkeling in Australië en behoefte werkkapitaal; beperkte verpandingsmogelijkheid van Australische debiteuren, en een te hoge prijs van de aandelen.
te stellen zekerheden’ heeft volstaan met de vermelding
“in onderling overleg nader te bepalen”. In zijn hiervoor genoemde brief heeft [medewerker van de vennootschap] hierover verklaard dat banken financieringsaanvragen in eerste instantie niet beoordelen op zekerheden die al dan niet kunnen worden geboden maar op basis van de verwachte cashflow en met name of de kredietnemer in staat zal zijn om uit de cashflow aan de rente en aflossingsverplichtingen te voldoen. Daarna zou dan worden onderhandeld over zekerheden en eigen inbreng waarop [appellant] volgens [medewerker van de vennootschap] al was voorbereid en middelen voor had vrijgemaakt. Antea c.s. stellen wel dat zonder eigen inbreng of zekerheden geen bank tot financiering bereid zou zijn. Zij betwisten echter niet gemotiveerd dat dergelijke eisen door de bank na de aanvraag aan de orde kunnen worden gesteld en stellen evenmin concrete feiten of omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat een financiering niet tot stand is gekomen omdat [Services] Services aan een enige door de bank daartoe gestelde eis niet zou hebben willen voldoen. In de door Antea c.s. overgelegde brief van [medewerker van ABN-AMRO] van 28 november 2008 (prod. 12 akte overlegging producties van Antea c.s. van 27 januari 2010) aan [appellant] is daarvoor evenmin enige aanwijzing te vinden. In die brief stelt [medewerker van ABN-AMRO] dat ABN AMRO niet verplicht is haar afwijzingsgronden te motiveren. Hij voegt daaraan toe:
“Ik wil benadrukken dat wij uw financieringsaanvraag zeer grondig hebben bestudeerd, met de intentie u een passende aanbieding te doen. Na bestudering van de door u aangeleverde informatie (…) zijn wij echter tot ons besluit gekomen u geen passende aanbieding te kunnen doen”.
kunnenfourneren doch niets hebben gesteld over de mate waarin dat in de gegeven omstandigheden van hem in zijn positie van bestuurder had mogen worden verwacht, kan ook uit voormelde stelling niet worden geconcludeerd tot een aan [appellant] persoonlijk te maken ernstig verwijt van zijn handelen als (indirect) bestuurder van [Services] Services. In hun conclusie van repliek in conventie (randnummers 3.19, 3.20 en 3.21) hebben Antea c.s. weliswaar concrete mogelijkheden genoemd hoe [appellant] de koopsom voor de aandelen had kunnen financieren maar ook daar hebben Antea c.s. niet toegelicht waarom dat van hem als (indirect) bestuurder van [Services] Services had mogen worden verlangd en hem bij gebreke daarvan persoonlijk onrechtmatig handelen zou moeten worden verweten.
‘dat uit de door Antea c.s. als productie 20 overgelegde niet-gedateerde brief van de Rabobank kan worden afgeleid dat deze bank niet zonder meer afwijzend stond tegen financiering’wringt met het oordeel van de rechtbank in r.o. 9.15 van het vonnis
‘dat [appellant] op 7 november 2008 redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [Services] Services er niet in zou slagen om de beoogde financiering voor de koop van de aandelen te verkrijgen’.Zoals hiervoor overwogen volgt het hof de rechtbank in haar oordeel in r.o. 9.11.