Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
datum beslissing: 21 augustus 2017
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. C.N.M. Antens, raadsheer in de afdeling civiel recht, team familierecht, wegens vermeende vooringenomenheid tijdens de behandeling van haar beroepschrift. Zij stelde dat mr. Antens onterecht stukken niet had ontvangen, onterechte verwijten maakte aan haar advocaat en suggestieve opmerkingen had geuit over verklaringen van minderjarige kinderen.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en ontvankelijk was. Bij de beoordeling van de vermeende vooringenomenheid werd vastgesteld dat de feiten en omstandigheden onvoldoende waren om een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen. De opmerkingen van mr. Antens werden als feitelijke constateringen of als niet-vooringenomen vragen beoordeeld.
De wrakingskamer benadrukte dat het wrakingsmiddel niet bedoeld is om de bejegening van een advocaat ter zitting te toetsen, tenzij daaruit vooringenomenheid jegens de cliënt blijkt. De door verzoekster ervaren ergernissen waren onvoldoende om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
Daarom wees het hof het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin die zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer mr. Antens is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.