Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: C/02/322411/KG ZA 16-703)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
[moeder] (hierna: moeder).
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen appellante en haar stiefkinderen over de zekerheidstelling voor erfdelen uit de nalatenschap van hun overleden vader. De rechtbank had reeds vastgesteld dat appellante gehouden is tot zekerheidstelling, maar appellante heeft hieraan niet voldaan. De kinderen vorderen in kort geding dat appellante wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid, onder verbeurte van een dwangsom.
Appellante betwist het spoedeisend belang en stelt dat zij financieel niet in staat is om zekerheid te stellen. De kinderen betwisten dit en wijzen op een verhoogde hypotheek en vermeende onrechtmatige toe-eigening van gelden door appellante. Het hof overweegt dat het verweer van appellante niet kan dienen als verkapt hoger beroep tegen het onherroepelijke vonnis en dat een dwangsom niet kan worden opgelegd indien appellante daadwerkelijk niet in staat is zekerheid te stellen.
Het hof acht voorshands aannemelijk dat een deel van de gelden is aangewend voor levensonderhoud en niet beschikbaar is, en dat onvoldoende is onderbouwd dat appellante over voldoende middelen beschikt. Wel acht het hof het mogelijk dat appellante maandelijks een bedrag kan storten vanaf haar AOW-leeftijd. Het hof wijst de zaak aan voor nadere stukken en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot onmiddellijke dwangsom af, maar stelt appellante in de gelegenheid maandelijks een bedrag te storten ter voldoening van de zekerheidstelling.