Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[Beheer B.V.] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad
2.Het geding na verwijzing door de Hoge Raad
- het H-formulier waarmee [appellanten] de zaak op de rol van 20 oktober 2015 hebben aangebracht en de vrijwillige verschijning van [geïntimeerde] in het geding op die roldatum;
- de memorie na verwijzing van [appellanten] ;
- de antwoordmemorie na verwijzing van [geïntimeerde] :
- het pleidooi, waarbij partij pleitnota's hebben overgelegd.
3.De beoordeling
rechtspraak hier al toepassing kan vinden, oordeelt het hof dat gesteld noch gebleken is waarom in deze aan [appellante 1] (persoonlijk) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Met name heeft [geïntimeerde] niet gesteld hoe groot het risico was dat het faillissement nog diezelfde dag zou worden uitgesproken en waarom [appellante 1] zich dat had moeten realiseren. Voorts is niet door [geïntimeerde] gesteld dat [appellante 1] op de hoogte was van de terugwerkende kracht tot 00.00 uur van een uit te spreken faillissement.
"SPOED !!!!". Gevraagd is om het verzoek
"met de hoogste spoed te behandelen", en wel omdat de wegtransportvergunning van [onderneming] op (dinsdag) 1 april 20018 zou verlopen, zodat er vanaf die dag geen internationale transporten meer gereden konden worden en er geen inkomsten meer gegenereerd konden worden. Op bladzijde 2 van het verzoek is vermeld:
behandeling plaats zal vinden is de schade voor de crediteuren, waaronder de werknemers, waarschijnlijk groot.
meentdat hem door de griffie telefonisch is medegedeeld dat op de dag van indiening geen uitspraak zou worden gedaan, is - nog afgezien van de vraag of aan een dergelijke mededeling van de griffie enig vertrouwen mocht worden ontleend - dermate omzichtig dat het hof daaraan geen betekenis toekent.