Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 8 december 2016;
- de rolkaarten van de andere procedures tussen partijen als bij dit hof ambtshalve bekend onder zaaknummers 200.196.668/01, 200.204.701/01 en 200.217.290/01;
- de ter zitting van dit hof overgelegde en voorgedragen pleitnota van mr. Avci.
3.De beoordeling
- [de vennootschap ] is een groothandel in farmaceutische producten. De aandeelhouder van [de vennootschap ] is [holding] , gevestigd te [vestigingsplaats] . De aandeelhouder van [holding] is [de moedermaatschappij van de vennootschap ] ., gevestigd in [vestigingsplaats] , Delaware in de Verenigde Staten.
- Op 1 januari 2010 is [appellant] voor onbepaalde tijd bij [de vennootschap ] in dienst getreden, laatstelijk in de functie van Executive Director Supply Chain Europe tegen een loon van € 13.782,24 bruto per maand (inclusief vakantietoeslag, exclusief dertiende maand en emolumenten). [appellant] is in zijn functie verantwoordelijk voor de Global Supply Chain Europe organisatie.
- Sinds juli 2010 is mevrouw [extern consultant] (hierna: [extern consultant] ) als extern consultant via [consulting] Consulting te België voor [de vennootschap ] werkzaam. Zij is twee managementlevels lager werkzaam in dezelfde reporting line (de Supply Chain Europe) als [appellant] .
- In juni 2015 heeft [appellant] een (serieuze) affectieve relatie gekregen met [extern consultant] en sindsdien woont hij met [extern consultant] samen.
- Op 23 juli 2015 heeft [appellant] een bijeenkomst in het kader van de aanstelling van [extern consultant] bijgewoond met de heer [director supply chain] (Director Supply Chain), de heer [senior manager supply chain] (Senior Manager Supply Chain), mevrouw [HR manager C&B 1] en mevrouw [HR manager C&B 2] (HR Manager Compensation & Benefits) over het arbeidsvoorwaardenpakket en het salaris van [extern consultant] .
- Op 12 augustus 2015 heeft [extern consultant] een arbeidsovereenkomst met [de vennootschap ] gesloten op grond waarvan zij per 1 november 2015 in vaste dienst is getreden bij [de vennootschap ] .
- Medio februari 2016 heeft de HR manager, de heer [HR business partner bij de vennootschap] (hierna: [HR business partner bij de vennootschap] ), met [appellant] een bespreking gehad en heeft hij aan [appellant] medegedeeld dat hij en [extern consultant] niet in dezelfde reporting line werkzaam kunnen blijven.
- Op 24 maart 2016 heeft er opnieuw een bespreking plaatsgevonden tussen [HR business partner bij de vennootschap] en [appellant] en is [appellant] medegedeeld dat hij zich geheel afzijdig dient te houden van [extern consultant] .
- Op 30 maart 2016 heeft de Senior HR Manager [de vennootschap ] , mevrouw [senior HR manager] (hierna: [senior HR manager] ), een anonieme klacht ontvangen die erop neer kwam dat de affectieve relatie tussen [appellant] en [extern consultant] effect heeft op de wijze waarop beiden hun functie vervullen.
- Op 11 april 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , [senior HR manager] en [HR business partner bij de vennootschap] . In dat gesprek is door [senior HR manager] aan [appellant] medegedeeld dat hij niet juist heeft gehandeld door niet eerder te melden dat hij een relatie heeft met [extern consultant] .
- Op 18 mei 2016 heeft [indertijd vice president global supply chain] aan [appellant] medegedeeld dat de dienstbetrekking niet kan worden voortgezet vanwege een vertrouwensbreuk en heeft hij gevraagd of [appellant] op 19 mei 2016 aanwezig kan zijn bij een bespreking met [senior HR manager] .
- Op 19 mei 2016 heeft [appellant] zich bij [de vennootschap ] ziek gemeld. Een bespreking heeft vervolgens niet meer plaatsgevonden.
- Vanaf 31 mei 2016 heeft [appellant] zijn werkzaamheden proberen te hervatten. Hij heeft zich daarna nog twee maal afwisselend ziek gemeld en aangeboden op het werk.
- Op 10 juni 2016 is [appellant] door [de vennootschap ] op non-actief gesteld. Partijen hebben in overleg het afwezigheidsbericht van [appellant] opgesteld.
- Bij e-mailbericht van 10 juni 2016 heeft de advocaat van [appellant] [de vennootschap ] gesommeerd om [appellant] weer te werk te stellen bij [de vennootschap ] . Aan dit verzoek heeft [de vennootschap ] geen gehoor gegeven.
- Sinds 16 juni 2016 woont [appellant] in [woonplaats] te België.
- [de vennootschap ] heeft op 27 juni 2016 een verzoek tot ontbinding van de met [appellant] gesloten arbeidsovereenkomst ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. Bij beschikking van 29 juli 2016 heeft de kantonrechter zich na door [appellant] gevoerd verweer ingevolge artikel 22 EEX Pro-Vo onbevoegd verklaard tot kennisname van het ontbindingsverzoek, omdat [appellant] sinds 16 juni 2016 woonachtig is in België.