Conclusie
Selbsteintrittvan [betrokkene 1/A] overgegaan op [betrokkene 1/A] . Vervolgens is de eigendom van [betrokkene 1/A] op [eiser] als volgt overgegaan.
Uiteraard was en bleef [verweerder] eigenaar van deze werken tot op het moment dat ik een verkocht werk aan hem had betaald’. Voor zover in de verwijzing door [verweerder] naar deze verklaring besloten ligt de stelling dat de met [betrokkene 1/A] gesloten overeenkomst ook een dergelijk eigendomsvoorbehoud inhield, wordt die stelling verworpen. In het licht van de omstandigheden, in het bijzonder de ‘factuur [betrokkene 3] ’ [19] is niet aannemelijk (...) dat een eigendomsvoorbehoud met betrekking tot de Koekkoek tussen [verweerder] en [betrokkene 1/A] afgesproken was. In deze factuur staat immers dat [betrokkene 3] na betaling aan [betrokkene 1/A] , dus voordat [verweerder] zou zijn betaald, de eigendom verkrijgt. Weliswaar is deze factuur valselijk opgemaakt, maar aangenomen mag worden dat de inhoud ervan correspondeert met hetgeen tussen [betrokkene 1/A] en [verweerder] gebruikelijk was. Los daarvan heeft [verweerder] eerder ontkend de eigendom van de Koekkoek onder opschortende voorwaarden te hebben overgedragen.
‘Als Uw Rechtbank niettegenstaande het voorgaande in de gang van zaken een eigendomsoverdracht door [verweerder] aan [betrokkene 1] zou zien, is de titel vernietigbaar wegens een wilsgebrek [..]. Voorzover nog nodig verklaart [verweerder] bij dezen dat hij alsdan de overeenkomst met [betrokkene 1] vernietigt (art. 3:49 BW Pro).’Dit beroep faalt, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat een tot vernietiging strekkende verklaring is uitgebracht aan [betrokkene 1/A] c.q. de curator als partij bij de te vernietigen rechtshandeling (art. 3:50 BW Pro). Bij gebreke hiervan kan in deze procedure niet worden uitgegaan van vernietiging van de overeenkomst, ook niet als zou vaststaan dat de overeenkomst op de door [verweerder] gestelde grond vernietigbaar zou zijn. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat deze ‘alsdan-verklaring’ is opgeschreven toen de later (uit de procedure ‘ [betrokkene 2] ’) gebleken verkoop in de onderhavige procedure nog niet was geopenbaard. Dat de ‘alsdan-verklaring’ ook op die verkoop ziet spreekt niet voor zich, te minder nu in de hiervoor bedoelde getuigenverklaring van 21 september 2006 van [verweerder] geen melding wordt gemaakt van de vernietiging en de schuld uit hoofde van de verkoopovereenkomst als reële schuld is behandeld. Ook om die reden wordt voorbijgegaan aan het beroep op vernietiging.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
principale cassatiemiddelvan [eiser] omvat
twee onderdelenmet subonderdelen, waarin wordt opgekomen tegen de inhoudelijke afwijzing van de alsnog toegelaten eisvermeerdering in de vorm van de schadestaatvordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.
incidentele cassatiemiddelvan [verweerder] bestaat uit vier onderdelen.
subonderdeel i.1.2) voert aan dat dit om drie redenen onjuist is.
Heep/Heep [30] .Nu het geen rechtsmiddel tegen het rolarrest zelf betreft, maar tegen de latere tussen- en eindarresten waarin wordt overwogen dat en waarom op die rolbeslissing op dat bezwaar wordt teruggekomen, aarzel ik sterk of dit wel zo gezien moet worden – ik zou dat niet willen bepleiten – en behandel ik het onderdeel ook inhoudelijk (en mogelijk ten overvloede, wanneer [verweerder] niet ontvankelijk zou zijn met incidenteel onderdeel 1 op de net aangegeven grond). Dit vormt een eerste beslispunt.
in het dictumvan het rolarrest staat. Als dit rolarrest gekwalificeerd moet worden als een rolbeschikking, dan kon daar later naar mij voorkomt door het hof op worden teruggekomen, zonder gebonden te zijn aan de regels bij terugkomen op bindende eindbeslissingen. Maar zowel benaming als inhoud wijzen niet op een rolbeschikking, maar op een rolarrest [31] , dat dan in zoverre kwalificeert als een deelarrest [32] en daartegen stond geen cassatie open op grond van art. 130 lid 2 Rv Pro. Ik kom op de kwalificatie deelarrest uit, omdat in een uitdrukkelijk dictum over het bij wege van eisvermeerdering gevorderde (schadestaatverwijzing voor gemaakte kosten op grond van onrechtmatige daad) een einde wordt gemaakt, namelijk door de betreffende eis niet toe te laten.
Boumans/’t Plenske [34] .Dan slaagt na heropend debat mogelijk incidenteel onderdeel 1 en ontbreekt belang bij het hele principale cassatieberoep dat over de inhoudelijk geweigerde schadestaatvordering gaat, ingesteld als het is bij wege van deze alsnog door het hof toegelaten eiswijziging. Dit vormt een tweede beslispunt.
door uitlegals voorlopig heeft willen zien [35] , rebus sic stantibus, mede gelet op het partijdebat in de verwijzingszaak, waarin partijen inhoudelijk vol op het orgel zijn gegaan en er in die zin dus geen sprake is geweest van het in de knel komen van een volwaardig processueel debat tussen partijen, zodat de goede procesorde in die zin niet in het geding is geweest – en dat blijft in dit soort zaken het uiteindelijke houvast. Dan zou men niet de route geschetst in 3.15 op moeten.
De Vries/Gemeente Voorstuit 2008 heeft de leer van de eindbeslissingen versoepeld. [37] Onder meer een onjuiste feitelijke grondslag kan dus reden zijn voor terugkomen op een eerdere beslissing binnen die leer.
in beginseluiterlijk bij grieven plaatsvinden [38] . Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld als de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd, als de aard van het geschil meebrengt dat wijziging nog mogelijk is, of wordt beoogd
recht te doen aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandighedenen de eisvermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of
om te voorkomen dat er een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannenom het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisververmeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.
in beginselniet toegelaten, zoals blijkt uit een arrest [40] van uw Raad van 1 oktober 2010. Als uitzondering daarop is in het
De Schelde/Erven Cijsouw-arrest [41] aanvaard dat als partijen uitsluitend hebben gestreden over de aansprakelijkheidsvraag en het beroep in cassatie ook uitsluitend op die vraag betrekking had, geen rechtsregel zich verzet tegen een eisvermeerdering die uitsluitend betrekking heeft op de omvang van de vordering tot schadevergoeding. Dat is een vrij beperkte uitzondering, die louter ziet op de hoogte van een al ingestelde vordering. Bakels c.s merken op [42] dat zij daarnaast nog een uitzondering zouden willen aanvaarden indien de verandering of vermeerdering onmiddellijk samenhangt met een nieuwe wending die in het casserende arrest van de Hoge Raad aan het geschil is gegeven, waarop oorspronkelijk eiser niet bedacht hoefde te zijn. Ook dat lijkt zich in onze zaak niet precies voor te doen.
Wertenbroek/v.d. Heuvel c.s. [47] :
subonderdelen i.1.3-7, nog het volgende.
Vredo/Veenhuis [48] omdat maar gegist zou moeten worden welke omstandigheden uit het voorafgaand aan rov. 15 overwogene redengevend zijn om de eiswijziging toe te staan, lijkt mij gelet op de uitvoerige motivering van het hof niet juist. Het is meer dan voldoende duidelijk dat dit de hiervoor besproken feiten uit de procedure [betrokkene 2] zijn, die niet sporen met de verklaring en positie van [verweerder] in de onderhavige zaak. Dat adieert de
subonderdelen i.1.3 en 4. Deze gaan niet op.
subonderdelen i.1.5-7wordt aangevoerd een uitwerking zou zijn van subonderdeel i1.4, zoals daar aangegeven, is (voor mij) moeilijk te volgen. Ik ga kort op die subonderdelen in.
subonderdeel i1.5), gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest. Die verwijzing ziet klaarblijkelijk alleen op het in het tussenarrest gemaakte voorbehoud dat er eventueel nog op de beslissing van de rolraadsheer kan worden teruggekomen (na bewijslevering). In subonderdeel i.1.5 wordt van alles geopperd over het tussenarrest dat daar niet in te lezen valt, zodat dit feitelijke grondslag ontbeert.
subonderdeel i.1.6datzelfde in het eindarrest wil lezen, strandt dat op dezelfde grond. In beide subonderdelen wordt voorbijgegaan aan het uitzonderlijke handelen zijdens [verweerder] (in de door het hof voorgestane uitleg) dat het hof reden gaf terug te komen op de aanvankelijke beslissing van de rolraadsheer.
subonderdeel i.1.7gaat uit van de onjuiste lezing dat in rov. 15 met “hetgeen hierboven is overwogen” in de eerste regel mede wordt bedoeld dat in de ogen van het hof art. 21 Rv Pro is geschonden door [verweerder] . Ik gaf hiervoor al aan dat uit de context voldoende duidelijk is waar het hof hier op doelt, zodat dit subonderdeel feitelijke grondslag mist. Het subonderdeel mist verder zelfstandige betekenis naast onderdeel i.2, waar ik nu aan toekom.
subonderdeel i.3.21en
subonderdeel i.4.28, die hierop voortbouwen. De klachten uit de
subonderdelen i.2.10 t/m i.2.20behoeven zodoende geen behandeling. In gelijke zin de s.t. zijdens [eiser] onder 48 t/m 53.
sc.dat andere kunsthandelaren niets kunnen verklaren over de inhoud van de overeenkomst [verweerder] - [betrokkene 1/A] , A-G) geldt ook hier dat vanwege de schending van het voorschrift van art. 21 Rv Pro door [verweerder] geen aanleiding bestaat om hem tot bewijs toe te laten.”
subonderdeel i.3.26aandraagt, is het niet toelaten tot nadere bewijslevering volgens mij wel een geoorloofde sanctie verbonden aan schending van art. 21 Rv Pro. [eiser] leidt bij s.t. onder 61 uit de parlementaire geschiedenis [49] af dat volgens de regering schending van art. 21 Rv Pro de rechter bijvoorbeeld als sanctiemogelijkheid geeft geen re- en dupliek toe te staan. Dat lijkt mij inderdaad een aanwijzing dat niet toelaten tot (nadere) bewijslevering ook als sanctie op art. 21 Rv Pro schending mogelijk moet zijn. Dit is in de feitenrechtspraak ook al aangenomen [50] . Het oordeel van het hof is in dat opzicht volgens mij ook voldoende gemotiveerd.
subonderdelen i.3.23 en i.3.25uit van een verkeerde lezing van het arrest, zodat de klachten daaruit feitelijke grondslag missen. In rov. 8 beziet het hof of de
al als getuige afgelegdeverklaring van [betrokkene 1] (dus niet: de eventueel na toelating tot nadere bewijslevering
nog af te leggen getuigenverklaringvan [betrokkene 1] ) iets afdoet aan de visie van het hof dat sprake is van terugverkoop door [verweerder] aan [A] . De subonderdelen veronderstellen ten onrechte dat het hof het daar heeft over een eventueel na toelating tot nadere bewijslevering nog af te leggen verklaring.
subonderdeel i.3.24is volgens mij geen zelfstandige klacht te lezen. Ook onderdeel i.3 kan dus niet tot cassatie leiden.
onderdeel i.4over de door het hof in rov. 13 en 14 aangenomen wijze van eigendomsverkrijging door [eiser] falen eveneens bij gebrek aan belang, omdat incidentele onderdelen 2 en 3 niet opgaan. Wat er verder zij van de constructie die het hof gebruikt voor zijn redenering dat [eiser] eigenaar is geworden, wat blijft staan is dat [verweerder] geen beter recht in de zin van art. 3:125 lid 2 BW Pro kan pretenderen jegens [eiser] , omdat vanwege de door het hof aangenomen eigendomsoverdracht [verweerder] - [A] – die [verweerder] in de voorgaande onderdelen tevergeefs heeft bestreden – [verweerder] daardoor juist geen eigenaar is volgens het hof. Tot aan het door de curator uitgelokte bevel in kort geding was [eiser] immers bezitter en nu is komen vast te staan dat [verweerder] geen eigenaar meer is, zodat hij geen beter recht tegenover [eiser] kan bewijzen, hetgeen het hof terecht oordeelt in rov. 14. Daartegen is in cassatie geen nadere klacht gericht en dit draagt zelfstandig.
subonderdelen i.4.28 en i.4.33delen zij het lot van die eerdere onderdelen.
subonderdeel i.4.29luidt dat er sprake is van een rechtens onjuiste afwijking van rov. 3.7 van het verwijzingsarrest. Daarin is overwogen dat het oordeel van hof Amsterdam dat het schilderij slechts met toestemming van [verweerder] (als eigenaar) in de gemeenschap met [eiser] kon worden ingebracht, juist is als [eiser] niet bewijst dat de overeenkomst van 26 juni 2002 een last tot verkoop aan een gemeenschap omvat. Het Haagse hof heeft vervolgens echter niet geoordeeld dat ( [eiser] heeft bewezen dat) deze situatie zich heeft voorgedaan, maar geoordeeld dat sprake was van verkoop door [verweerder] aan [A] en dat deze vervolgens heeft beoogd “de gemeenschap” (tussen hem en [eiser] ) te herstellen. Deze weg is in het verwijzingsarrest juist uitgesloten volgens de klacht. Dit miskent dat deze redenering in het verwijzingsarrest in de sleutel stond van de veronderstellenderwijs aangenomen generieke lastgeving tot verkoop, terwijl [eiser] twee scenario’s bepleitte: hetzij wederinkoop, danwel lastgeving. In rov. 3.6 van het verwijzingsarrest was al geoordeeld dat onderdelen 1.1-1.3 van het (eerste) cassatieberoep van [eiser] slagen. Dat oordeel kwam erop neer dat het Amsterdamse hof ten onrechte een bewijsaanbod had gepasseerd dat zowel de mogelijke lastgeving als wederinkoop door [A] kon inhouden. Na verwijzing is hof Den Haag tot het oordeel gekomen dat het wederinkoop-scenario alsnog is komen vast te staan. Het hof heeft daarmee binnen de grenzen van de rechtsstrijd gehandeld en het oordeel in rov. 3.7 van het verwijzingsarrest viel dus weg omdat het hof langs een andere route tot zijn oordeel kwam, zodat deze klacht faalt.
subonderdeel i.4.32is de klacht dat het oordeel in rov. 13 dat een en ander “althans is geconverteerd in een rechtsgeldige overdrachtstitel” miskent dat het verwijzingshof ook gebonden was aan het oordeel in rov. 3.9.3 van het verwijzingsarrest. Ook die klacht faalt bij gebrek aan belang, aangezien het vergeefs aangevallen oordeel van het hof dat het schilderij opnieuw gemeenschappelijk is geworden en de gemeenschap daarna is verdeeld, zelfstandig draagt – maar ook inhoudelijk. De afwijzing van de conversie waar de klacht op doelt, neemt tot uitgangspunt dat ( [eiser] en [A] / [betrokkene 1] wisten dat) het schilderij in eigendom aan [verweerder] toebehoorde. Na de vernietiging is het verwijzingshof (binnen de grenzen van de rechtsstrijd) alsnog tot het oordeel gekomen dat het schilderij door [verweerder] aan [A] was verkocht. Het hof heeft met dit andere uitgangspunt opnieuw beoordeeld of sprake was van (een geldige verdelingsovereenkomst althans) conversie in de zin van art. 3:42 BW Pro: niet omdat het schilderij bij nader inzien aan [verweerder] toebehoorde, maar omdat het geen onderdeel was gaan uitmaken van de beoogde gemeenschap (en dus in eigendom aan [A] / [betrokkene 1] toebehoorde). Daarmee is de grond onder de aangehaalde overweging weggevallen en was het verwijzingshof daar ook niet meer aan gebonden.
subonderdelen i.4.30 en i.4.31klaagt [verweerder] nog dat het hof miskent dat een voormalige, al geëindigde gemeenschap niet kan worden hersteld. Anders dan deze klacht veronderstelt, doelt het hof hier volgens mij niet op een herleving van een eerder beëindigde gemeenschap tussen [eiser] en [A] voorafgaand aan de verkoop van de Koekkoek door [A] aan [verweerder] . Kennelijk bedoelt het hof hier dat de Koekkoek “opnieuw” in de zin van: “voor de tweede keer”, “andermaal” mede-eigendom is geworden van [A] en [eiser] , waardoor dus sprake is van een nieuwe gemeenschap. Ook hier mist de klacht zodoende feitelijke grondslag. Anders gezegd: de klacht is gebaseerd op het uitgangspunt dat er sprake zou zijn geweest van een gemeenschap met betrekking tot het schilderij, dat die gemeenschap was geëindigd toen [verweerder] eigenaar werd en dat naar het oordeel van het hof díe gemeenschap zou zijn herleefd. Dat heeft het hof echter niet geoordeeld. Het hof heeft overwogen dat [betrokkene 1/A] beoogde in de relatie met [eiser] de oude toestand, waarin de Koekkoek gemeenschappelijk eigendom was, te herstellen en dat [betrokkene 1/A] heeft kunnen bewerkstelligen dat de Koekkoek opnieuw onderdeel werd van de gemeenschap met [eiser] . Bedacht moet daarbij worden (hetgeen de klacht over het hoofd ziet) dat (a) er een gemeenschap was die meer goederen omvatte, die was blijven bestaan en waarin het schilderij door [betrokkene 1/A] weer werd ingebracht, of (b) het hof meende dat [betrokkene 1/A] beoogde de oude toestand te herstellen door
eengemeenschap met betrekking tot het schilderij te creëren. Kern van de gedachtegang is dat [betrokkene 1/A] beoogde het schilderij (weer) tot gemeenschappelijk eigendom met [eiser] te maken.
onderdeel 1heeft vijf subonderdelen.
vaststaatdat als [verweerder] normconform gehandeld had [eiser] proceskosten had bespaard is dan onjuist, omdat dat voor verwijzing naar de schadestaat niet hoeft
vast te staan.(ii) Mocht het hof (impliciet) hebben geoordeeld dat de hoofdprocedure na het partijdebat over de eisvermeerdering kon worden overgeslagen, dan heeft dat bij slagen van subonderdeel 1.1 tot gevolg dat tussen partijen bindend vast staat dat proceskosten zouden zijn bespaard als de factuur eerder in het geding was gebracht. (iii) Slaagt subonderdeel 1.1. niet, dan hoefde [eiser] er niet op bedacht te zijn dat het hof de zaak zou afdoen op een door [verweerder] in zijn laatste processtuk aangedragen verweer, waarop [eiser] niet meer heeft kunnen reageren. (iv) Als al sprake was van een kenbaar en tijdig gevoerd verweer van [verweerder] , dan had [eiser] moeten worden toegelaten tot bewijs.
- ii) dat bij eerdere openheid van zaken zijdens [verweerder] , [verweerder] inderdaad eerder tot zijn in de verwijzingsprocedure gevoerde verweer zou zijn gekomen, maar dat dat tevens zou hebben geleid tot een eerdere finale beoordeling van het geschil met navenant minder kosten voor [eiser] ;
- iii) dat bepaald aannemelijk is dat, als [verweerder] niet het verzoek aan het hof na de pleidooien vóór het eerste cassatieberoep zou hebben geblokkeerd en openheid van zaken was gegeven, in elk geval de rechtsgang bij de Hoge Raad en (een deel van de kosten van) de verwijzingsprocedure [eiser] zouden zijn bespaard
allekosten zou hebben bespaard, miskent het volgens mij dat, zo nodig in de schadestaatprocedure, diende te worden bepaald
in hoeverrekosten verband houden met de verweten gedragingen.