In deze civiele procedure staat de aansprakelijkheid van een notaris centraal vanwege een onjuist afgegeven verklaring van erfrecht, die schade zou hebben veroorzaakt aan de geïntimeerde. De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin een schadevergoeding werd toegekend.
Appellante vordert in een incident ex artikel 843a Rv inzage in diverse documenten, waaronder successieaangiften, boedelbeschrijvingen en correspondentie over de verhaalspositie van de echtgenoot van de overleden zus van geïntimeerde. Het hof toetst of aan de voorwaarden voor toewijzing van een dergelijk inzageverzoek is voldaan.
Het hof oordeelt dat appellante een rechtmatig belang heeft bij de gevorderde stukken, omdat deze relevant zijn voor de beoordeling van de schadeposten en het voeren van verweer. De gevorderde stukken zijn voldoende concreet omschreven en betreffen een rechtsbetrekking tussen partijen. Het verzoek wordt toegewezen met de verplichting aan geïntimeerde om binnen drie weken de gevraagde stukken te verstrekken.
De hoofdzaak wordt aangehouden en verwezen voor memorie van antwoord. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 31 oktober 2017 openbaar uitgesproken.