ECLI:NL:GHSHE:2017:4884
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over terugbetaling geldlening tussen vader en zoon
In deze civiele zaak vordert de vader betaling van €119.300,- die hij in de periode 2003-2007 aan zijn zoon heeft geleend. De zoon voert verweer, waaronder een beroep op verjaring en betwist de terugbetalingsverplichting.
De rechtbank Limburg heeft de zoon veroordeeld tot terugbetaling in tien jaarlijkse termijnen, met wettelijke rente en directe opeisbaarheid bij wanbetaling. Het hof beoordeelt het hoger beroep en bevestigt dat sprake is van een geldlening waarbij terugbetaling pas hoeft te geschieden als de zoon daartoe in staat is, conform het oude artikel 7A:1798 BW.
Het hof oordeelt dat de vader als partijgetuige voldoende aanvullende bewijzen heeft geleverd om zijn stellingen te ondersteunen. Het beroep op verjaring door de zoon faalt, omdat de terugbetalingstermijn een opschortende tijdsbepaling betreft. Ook het verzoek van de zoon om een andere terugbetalingsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De grieven van de zoon worden verworpen en de vonnissen van de rechtbank worden bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd vanwege de familierelatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de zoon verplicht is €119.300,- aan de vader terug te betalen in tien jaarlijkse termijnen.