Appellant was onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die bij arrest van het hof was verlengd tot 16 oktober 2017. Bij vonnis van de rechtbank was geoordeeld dat appellant toerekenbaar tekortgeschoten was in de nakoming van verplichtingen uit de regeling, waardoor geen schone lei werd verleend.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de ontstane nieuwe schulden vooral het gevolg waren van het disfunctioneren van zijn voormalige beschermingsbewindvoerder en dat hij zelf geen blaam trof. Hij stelde dat de nieuwe schulden deels bestonden uit belastingschulden door te rooskleurige voorlopige aangiften en deels uit vaste lasten die onbetaald bleven door nalatigheid van de bewindvoerder.
Het hof oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk bleef voor het ontstaan van de nieuwe schulden, waaronder ook schulden voor luxe goederen zoals uitgebreide telefonie- en televisieabonnementen. Het hof vond het niet aannemelijk dat de tekortkomingen niet aan appellant konden worden toegerekend en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om de tekortkomingen buiten beschouwing te laten.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en werd de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei bevestigd.