Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Apack Holding B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
Chezz Partners B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/271339/HAZA 13-787)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, met een productie;
- het mondeling pleidooi gehouden op 19 januari 2017, waarbij de advocaten van partijen gepleit hebben aan de hand van overgelegde pleitnotities.
3.De beoordeling
1 september 2009, waarbij partijen onder meer zijn overeengekomen dat het loon van [appellante] tot die datum zal worden doorbetaald, de verstrekte geldlening van
€ 800.000,= na afloop van de overeengekomen looptijd van 5 jaar volledig door Apack Holding moet worden terugbetaald en tot zekerheid van deze terugbetaling door Racupack zekerheid zal worden gesteld. Ter uitvoering van deze afspraak heeft Racupack bij onderhandse akte van 31 augustus 2009 aan [appellante] Holding een (derden)pandrecht verstrekt op haar gehele huidige en toekomstige bedrijfsuitrusting.
overeenkomst ter vervanging overeenkomst van geldlening’, waarin partijen zijn overeengekomen dat de lening eindigt onder de opschortende voorwaarde dat Apack Holding uiterlijk op 7 juni 2013 een bedrag betaalt aan [appellante] Holding ter hoogte van € 650.000,=, dat [appellante] Holding finale kwijting verleent aan Apack Holding en dat de gevestigde pandrechten komen te vervallen. Tevens zijn partijen in artikel 2.4 overeengekomen ‘
over en weer afstand [te doen] van het recht om deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden of vernietigen.’
verplichtwas hierover te spreken. Zoals [geïntimeerde 3] ter gelegenheid van het pleidooi heeft bevestigd, heeft Apack c.s. gezwegen omdat Apack Holding/Racupack geheimhouding omtrent de verkoop was overeengekomen met BPA (zie de als productie 1 bij de conclusie van antwoord gevoegde ‘letter of intent’). Het hof acht dit in de gegeven omstandigheden, waaronder de slechte financiële situatie van Apack Holding, een in rechte te respecteren keuze. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat Chezz Partners een participatiemaatschappij is, waaraan eigen is dat dit (slechts) tijdelijk aandelen neemt in een bedrijf. [appellante] Holding wist dan ook dat Chezz Partners haar belang vroeg of laat weer zou verkopen, althans zij had dat redelijkerwijze kunnen weten. [appellante] heeft tijdens het pleidooi ook aangegeven dat hij niet tegen verkoop was. [appellante] Holding heeft niet goed duidelijk kunnen maken waarom Apack c.s. desondanks had moeten zeggen dat Racupack bezig was haar activa en passiva te verkopen aan BPA. Overigens was de verkoop ook niet zeker op het moment van sluiten van de overeenkomst van 3 juni 2013 (Apack c.s. heeft – onweersproken door [appellante] Holding – naar voren gebracht dat nog na 7 juni 2013 naar aanleiding van het voorlopige due diligence rapport discussie tussen Racupack en BPA is ontstaan over de koopprijs). Volgens [appellante] Holding heeft [geïntimeerde 3] tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaard dat als [appellante] had geweten van de verkoop van Racupack, hij ( [appellante] ) geen water bij de wijn zou hebben gedaan. Daargelaten dat [geïntimeerde 3] ontkent dit te hebben verklaard, leidt dat gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel.
onjuistesuggestie, zoals [appellante] Holding stelt, heeft gewekt dat een teloorgang voor Racupack dreigde indien [appellante] Holding géén afstand zou doen van een gedeelte van haar vordering op Apack Holding respectievelijk van het pandrecht op de bedrijfsmiddelen van Racupack. Nu de boekjaren van Racupack na 2009 verlieslatend waren, was de mogelijkheid van een faillissement namelijk reëel.