ECLI:NL:GHSHE:2017:5584
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over belastingheffing pensioenverrekening bij echtscheiding
Belanghebbende en haar ex-echtgenoot zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben bij echtscheidingsconvenant van 12 november 2009 hun huwelijksgemeenschap en pensioenvermogen verdeeld. Hoewel zij de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS) niet hebben uitgesloten, zijn zij overgegaan tot pensioenverrekening waarbij belanghebbende een deel van haar pensioenaanspraken heeft afgestaan in ruil voor het woonhuis.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op voor het jaar 2010, waarbij een bedrag van € 169.726 aan pensioen- en lijfrenterechten als belastbaar inkomen werd aangemerkt. De Rechtbank had de aanslag verminderd, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en bevestigde de aanslag. Het Hof oordeelde dat de pensioenverrekening buiten de WVPS leidt tot een belastbare periodieke uitkering op grond van artikel 3:102, lid 3, Wet IB.
Belanghebbende stelde dat de aanslag onterecht was opgelegd in 2010 en dat het heffingsmoment in 2009 lag, maar het Hof volgde het oordeel van de Rechtbank en Inspecteur dat de periodieke uitkeringen pas in 2010 zijn genoten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de situatie feitelijk afweek van de WVPS-toepassing. Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond, en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat pensioenverrekening buiten de WVPS leidt tot belastbare periodieke uitkeringen in 2010 en verwerpt het incidenteel hoger beroep van belanghebbende.