Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
€ 15.075,37. Dit alles is door [appellant 1] noch door [appellante 2] (voldoende) gemotiveerd betwist.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen, waren in een wettelijke schuldsaneringsregeling opgenomen. De rechtbank had de regeling tussentijds beëindigd omdat zij hun verplichtingen niet naar behoren nakwamen, waaronder het niet tijdig afdragen aan de boedel en het onvoldoende informeren van de bewindvoerder.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij hun verplichtingen wel waren nagekomen of dat eventuele tekortkomingen niet aan hen te wijten waren, mede vanwege medische omstandigheden en taalbarrières. Het hof oordeelde echter dat appellanten op de hoogte waren van hun kernverplichtingen, zoals blijkt uit ondertekende verklaringen, huisbezoeken en verhoren.
De boedelachterstand was opgelopen tot ruim €15.000, terwijl appellanten geen concreet plan hadden om deze in te lopen. Medische verklaringen waren onvoldoende om vrijstelling van verplichtingen te rechtvaardigen. Het verzoek tot verlenging van de regeling werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en ernstige tekortkomingen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en concludeerde dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling terecht was.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot verlenging van de schuldsaneringsregeling af vanwege niet-nakoming van verplichtingen en een aanzienlijke boedelachterstand.