Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[accountants/adviseurs] Accountants/Adviseurs,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/282483/HA ZA 14-591)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellante] en de antwoordakte van [geïntimeerden c.s.]
3.De beoordeling
De accountant van de cliënt was aanwezig bij het gesprek waarbij door mijn cliënt mededeling werd gedaan van de zwarte medewerkers”.
Op een dag (…) heb ik met [directeur van handelsonderneming] (hof: directeur van [appellante] ) en mijn accountant gesproken over de zwart betaalde werknemers. Dit had ik van tevoren al besproken met mijn accountant. In de voorbereidende, voorafgaande gesprekken met mijn accountant had ik ook openheid gegeven over de minder leuke dingen. Mijn accountant en ik waren van mening dat wij aan [directeur van handelsonderneming] moesten vertellen dat er zwartbetaalde werknemers waren. Mijn accountant wist dat voorheen niet, ik bedoel voordat ik hem dat had verteld in de aanloop van de overnamebesprekingen. De reactie van mijn accountant hierop was dat hij het nam als een gegeven.
Het was nadat ik die ontwerphalfjaarcijfers al had gemaakt dat ik van [directeur] hoorde dat er werknemers waren die niet werden verantwoord op de loonlijst. Hij vertelde me dat het ging om enkele Poolse werknemers. Op uw vraag dienaangaande antwoord ik dat mij nooit is verteld dat er meer zwartbetaalde werknemers waren anders dan Polen, meer is mij niet verteld.
Gesteld noch gebleken is dat [appellante] daarmee onvoldoende middelen ter beschikking had of dat Gubema haar onvoldoende middelen ter beschikking heeft gesteld om van te voren een realistisch beeld van de onderneming en de bedrijfsvoering binnen de onderneming te vormen. Wanneer [appellante] van de haar ter beschikking staande middelen onvoldoende gebruik heeft gemaakt, komt dat voor haar rekening. (…)
Ter voorkoming van verjaring stel ik uw kantoor en u als persoon hiermede aansprakelijk voor de door mijn bedrijf geleden schade bij de aankoop van Enki BV, waarvan u de accountant was.
Zoals blijkt uit de aansprakelijkheidsstelling van cliënte verwijt zij de heer [geïntimeerde 1] dat hij, wetende dat de overnamebalans onjuist was doordat de zwart betaalde werknemers daarin niet waren verwerkt, heeft nagelaten de door hem opgestelde overnamebalans te herroepen c.q. cliënte daarover te informeren. Daarentegen heeft hij actief meegewerkt aan de overnameovereenkomst, die mede gebaseerd was op de overnamebalans, waarin (zoals hij erkent) bepalingen stonden waarvan hij wist dat deze onjuist waren.
Daarom is de verantwoordelijkheid van de registeraccountant niet beperkt tot het behartigen van het belang van een individuele cliënt. Dat betekent dat [geïntimeerde 1] bij zijn handelen in de aanloop naar de transactie tussen Gubema en [appellante] , zich niet alleen had moeten beperken tot het belang van Gubema, maar ook oog had moeten hebben voor het algemeen belang, dat vraagt dat partijen niet op basis van onjuiste cijfers beslissingen nemen tot het overnemen van een onderneming”(inl. dagv. nr 19) en
het had op de weg van [geïntimeerde 1] gelegen op dat moment helder te krijgen en te maken wat de omvang was van het aantal illegale werknemers (..)
] op de hoogte waren van het feit dat gebruik werd gemaakt van illegale werknemers rustte op haar de verantwoordelijkheid om in dat kader verdere inlichtingen en informatie in te winnen om zodoende correcte (half)jaarcijfers op te kunnen stellen (..)
Hoeveel tijd de schuldeiser voor een en ander ten dienste staat, moet naar de aard van de overeenkomst en de gebruiken worden beoordeeld.' Naast de aard van de overeenkomst en de gebruiken, zullen ook de aard van de prestatie en de deskundigheid, alsmede de onderlinge verhouding en juridische kennis van betrokkenen bepalend zijn voor de tijd die de schuldeiser heeft om te klagen. Er is dus geen vaste termijn aan te geven, maar “binnen bekwame tijd” vereist volgens de parlementaire geschiedenis een reactie “
op korte termijn”(TM, Parl. Gesch. Inv. Boek 7, p. 148), “
met spoed”(Nota, Kamerstukken II 2001/2002, 27 809, nr. 6, p. 6), dan wel “
binnen zo korte tijd als in de gegeven omstandigheden in verband met zijn onderzoeksplicht van hem kan worden gevergd”(MvA II, Parl. Gesch. Boek 7, p. 152.).