Appellante verzocht de rechtbank om DUO te dwingen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling op grond van artikel 287a van de Faillissementswet. De rechtbank wees dit verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing en twijfel over het maximale karakter van het aanbod.
In hoger beroep stelde appellante dat de beschermingsbewindvoerder bevoegd was tot het indienen van het verzoek en dat DUO onredelijk weigerde akkoord te gaan, terwijl alle andere schuldeisers instemden. Appellante gaf aan dat zij binnenkort een werkstage zou starten en dat het aanbod gebaseerd was op de Recofa-methode.
DUO betoogde dat appellante een hoger inkomen had dan gesteld, dat niet alle schulden correct waren meegenomen in het voorstel en dat het aanbod niet het maximaal haalbare was. Het hof oordeelde dat appellante nog een aanzienlijke verdiencapaciteit heeft die niet in het akkoord is verwerkt en dat DUO daarom in redelijkheid tot weigering kon komen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tevens merkte het hof op dat niet gebleken is dat de overige schuldeisers op de hoogte zijn gebracht van een schuld die buiten het akkoord valt.