Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, woonachtig in Nederland in 2012, ontving pensioenuitkeringen uit Canada die deels een nabetaling betroffen van perioden waarin hij in Turkije woonde. De Inspecteur legde aanslagen op over het volledige bedrag van deze uitkeringen in 2012. Belanghebbende voerde aan dat de aanslagen verminderd moesten worden met pensioenbedragen die betrekking hebben op de periode vóór zijn Nederlandse woonplaats.
Het Hof oordeelde dat op grond van de Wet IB 2001 pensioenuitkeringen worden belast in het jaar van ontvangst, ongeacht de periode waarop ze betrekking hebben. Het belastingverdrag tussen Nederland en Canada staat heffing door Nederland niet in de weg. Daarnaast werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, omdat geen aannemelijk bewijs was dat de Belastingdienst toezeggingen had gedaan die tot vermindering van de aanslagen zouden leiden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. Zowel de aanslagen als de belastingrente werden gehandhaafd. Het Hof wees ook verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden bevestigd.