De zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen de beschikking van de rechtbank die hun ouderlijk gezag over drie jonge kinderen beëindigde. De kinderen zijn sinds 2015 uit huis geplaatst en verblijven in perspectief biedende pleeggezinnen. De ouders zijn verstandelijk beperkt en hebben twee terug-naar-huis trajecten gehad, die beide zijn beëindigd.
De ouders betogen dat zij met begeleiding van ASVZ voldoende opvoedvaardigheden hebben ontwikkeld en dat de rechtbank onzorgvuldig heeft geoordeeld over het verstrijken van de aanvaardbare termijn. Zij wijzen op alternatieve hulpverleningsprogramma’s die niet zijn ingezet. De raad en GI stellen dat de ouders niet in staat zijn om de zorg te dragen, mede door hun persoonlijke problematiek, instabiele thuissituatie en het gedrag en ontwikkelingsachterstanden van de kinderen.
Het hof oordeelt dat de ouders ondanks hun inspanningen niet binnen een aanvaardbare termijn zelfstandig voor de kinderen kunnen zorgen. De kinderen zijn goed gehecht aan hun pleeggezinnen en hebben daar een stabiele en veilige opvoedingssituatie. De beëindiging van het gezag is noodzakelijk om rust en duidelijkheid te bieden aan de kinderen en hun toekomstperspectief te waarborgen. De beschikking wordt bekrachtigd, met de nadruk dat de ouders hun rol in het contact met de kinderen kunnen blijven vervullen.