In deze civiele zaak staat de vordering van een creditcardmaatschappij centraal tegen een bewindvoerder die namens een cliënt een creditcardovereenkomst zou zijn aangegaan. De creditcardmaatschappij vordert betaling van een openstaand saldo van €5.492,51 vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, een contractuele boete en wettelijke rente, alsmede de afgifte van de creditcard.
De kantonrechter wees de vordering grotendeels toe, maar liet de buitengerechtelijke kosten buiten beschouwing. De bewindvoerder ging in hoger beroep en voerde meerdere grieven aan, waaronder een beroep op wilsgebreken en de toepassing van de Wet op het consumentenkrediet. Het hof verwierp het beroep op wilsgebreken en stelde vast dat de creditcardmaatschappij haar zorgplicht had geschonden. Naar maatstaven van redelijkheid achtte het hof het onaanvaardbaar om het gehele openstaande bedrag te vorderen.
Het hof gelastte een comparitie van partijen om nadere informatie te verkrijgen over de datum van bewindstelling en de feitelijke gang van zaken bij het aanvragen van de creditcard. Het verdere verloop van de procedure werd aangehouden, met het oog op een mogelijke minnelijke regeling.