Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/327781, rolnummer KG ZA 17‑709)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met drie grieven, twee producties (nrs. 11 en 12) en een vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] met vier producties (nrs. 8 tot en met 11);
- de akte overleggen producties van [geïntimeerde] met een productie (nr. 12);
- de antwoordakte van [appellant] .
3.De beoordeling
- dat [geïntimeerde] , toen zij aanving met het uitvoeren van verbouwingswerkzaamheden in de woning, in de terechte veronderstelling verkeerde dat de woning daadwerkelijk aan haar zou worden verkocht en geleverd (slot van rov. 4.8.);
- dat het de vraag is of het [appellant] vrij staat om verkoop van de woning aan [geïntimeerde] tegen het ter zitting geboden bedrag van € 175.000,-- te weigeren (slot van rov. 4.10);
- dat in kort geding ten aanzien van een vordering tot ontruiming terughoudendheid moet worden betracht (rov. 4.11):
- dat in dit geval het belang van [geïntimeerde] op dit moment zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om weer over de woning te kunnen beschikken (rov. 4.12).
- het te verkopen object in het handgeschreven document in het geheel niet is vermeld;
- niet vermeld is wie de kosten van de eigendomsoverdracht moet betalen (terwijl enerzijds [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij slechts € 160.000,-- kon financieren en anderzijds bij koop van bestaande woningen gebruikelijk is dat de kosten van de overdracht voor rekening van de koper zijn);
- niet vermeld is op welke datum de woning in eigendom zou moeten worden overgedragen en de koopsom zou moeten worden betaald;
- de levenspartner van [geïntimeerde] op het stuk in het geheel niet is genoemd terwijl het volgens de later door [geïntimeerde] aan [appellant] ter ondertekening voorgelegde koopovereenkomst kennelijk wel de bedoeling was dat die partner mede naast [geïntimeerde] als koper zou optreden.