Belanghebbenden, erfgenamen van een overleden eigenaar, maakten bezwaar tegen aanslagen watersysteemheffing voor natuurterreinen over 2015. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbenden hoger beroep instelden bij het Hof.
Het Hof stelde vast dat de aanslagen terecht aan de erfgenamen zijn opgelegd omdat de overledene nog als eigenaar in het Kadaster stond geregistreerd en dat het juiste tarief voor natuurterreinen was toegepast. Belanghebbenden voerden aan dat het hoor- en inzagerecht was geschonden, dat het eigendomsrecht was aangetast en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
Hoewel het Hof erkende dat de hoorplicht en het inzagerecht waren geschonden, oordeelde het dat belanghebbenden niet in hun belangen waren geschaad omdat zij hun bezwaren schriftelijk en mondeling konden toelichten en er geen verschil van mening over de feiten bestond. Het beroep op schending van het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de aanslagen in overeenstemming waren met het nationale recht en geen individuele buitensporige last vormden.
De aanslagen waren tijdig opgelegd binnen de wettelijke termijn van drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Het Hof bepaalde dat de Heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan belanghebbenden moest vergoeden en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.