Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi gehouden op 15 augustus 2018, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd;
- de bij brief van 31 juli 2018 door [appellant] toegezonden productie 3, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.
6.De beoordeling
“ [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] hebben vervolgens weer een affectieve relatie gekregen en zijn weer gaan samenwonen”.[appellant] stelt dat [ex-echtgenote van appellant] en hij per april 1982 in de woning zijn gaan wonen en dat zij toen ook weer een affectieve relatie hadden. Mede gehoord hetgeen [appellant] tijdens het pleidooi naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen.
“Begin september 2015 heeft [stichting 2] van de politie vernomen dat [appellant] in de woning woont en is zij bekend geworden met het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] ”. [appellant] heeft dienaangaande opgemerkt dat [stichting 2] op de hoogte is geraakt van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] doordat de dochter van [appellant] contact opnam met [stichting 2] . [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist. Het hof laat verder in het midden hoe [stichting 2] in september 2015 op de hoogte is geraakt van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] nu dat niet relevant is voor de in deze te nemen beslissingen zoals hierna zal blijken.